Menu

Zoek op
rubriek
Omgevingsweb
0

ECLI:NL:RVS:2021:283

11 februari 2021

Jurisprudentie – Uitspraken

Uitspraak

202005234/2/R1.

Datum uitspraak: 11 februari 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 augustus 2020 in zaak nr. 18/5375 in het geding tussen:

[verzoeker]

en

het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (hierna: het hoogheemraadschap).

Procesverloop

Bij besluit van 20 augustus 2018 heeft het hoogheemraadschap het verzoek van [verzoeker] om preventief handhavend op te treden tegen het hoogheemraadschap vanwege het voornemen om van een peilscheiding op zijn gronden op te hogen zonder projectplan op grond van artikel 5.4, eerste lid, van de Waterwet, afgewezen.

[verzoeker] heeft het hoogheemraadschap verzocht in te stemmen met een rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter, overeenkomstig artikel 7.1a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Het hoogheemraadschap heeft ingestemd.

Bij uitspraak van 19 augustus 2020 heeft de rechtbank het door [verzoeker] ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld.

[verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 8 februari 2021. [verzoeker] en het hoogheemraadschap, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], bijgestaan door mr. E. Smits, advocaat te Rotterdam, hebben via een videoverbinding aan deze zitting deelgenomen.

Overwegingen

1.    [verzoeker] woont op het perceel [locatie] in [woonplaats]. Dit perceel ligt naast de Vliet. Het hoogheemraadschap wenst de peilscheiding ter plaatse met 40 cm op te hogen. Ter zitting heeft het hoogheemraadschap aangegeven dat het [verzoeker] op de hoogte heeft gesteld dat op 11 februari 2021 op het perceel een situatieopname wordt gemaakt en dat op 15 februari 2021 de werkzaamheden zullen beginnen.

2.    [verzoeker] stelt dat hij een spoedeisend belang heeft bij zijn verzoek. Hij stelt dat de ophoging onomkeerbare gevolgen heeft, omdat de ophoging inklinking van de bodem tot gevolg heeft, waardoor een houten gebouw in de nabijheid van de Vliet zal verzakken.

3.    Het hoogheemraadschap heeft gesteld dat het een belang heeft bij een spoedige uitvoering van de werkzaamheden, omdat zich in het verleden al enkele malen overstromingen hebben voorgedaan.

4.    Ter zitting heeft het hoogheemraadschap inzichtelijk gemaakt dat de ophoging bestaat uit het aanleggen van een grondlaag, die eenvoudig kan worden verwijderd. Volgens hem is het niet aannemelijk dat in de periode totdat er uitspraak is gedaan in de hoofdzaak de gronden onder en in de nabijheid van de peilscheiding zodanig inklinken dat er onomkeerbare gevolgen ontstaan voor de gebouwen van [verzoeker]. [verzoeker] heeft deze stelling niet gemotiveerd bestreden.

5.    Nu onomkeerbare gevolgen van het uitvoeren van de werkzaamheden op korte termijn niet aannemelijk zijn, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het verzoek wegens het ontbreken van een spoedeisend belang af te wijzen.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. W.S. van Helvoort, griffier.

De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2021

361.

Artikel delen