Menu

Zoek op
rubriek
Omgevingsweb
0

ECLI:NL:RVS:2021:2287

13 oktober 2021

Jurisprudentie – Uitspraken

Uitspraak

202004581/1/R3.

Datum uitspraak: 13 oktober 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Leiden,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 juli 2020 in zaak nr. 19/3539 in het geding tussen:

[appellant]

en

Omgevingsdienst West-Holland (lees: het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk).

Procesverloop

Bij besluit van 1 augustus 2018 heeft het college geweigerd een omgevingsvergunning te verlenen aan [appellant] voor het splitsen van een woning op het perceel [locatie A] te Noordwijk.

Bij besluit van 25 april 2019 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 juli 2020 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 23 juli 2021, waar [appellant], bijgestaan door mr. M.C. Jonkman, advocaat te Zaandam, en het college, vertegenwoordigd door mr. T.J. Smittenaar-van der Geer, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       [appellant] is eigenaar van de woning op het perceel [locatie A] te Noordwijk (hierna: de woning). De woning maakt deel uit van een complex van appartementen (hierna: het appartementencomplex). Ter plaatse geldt het bestemmingsplan "Zeewaardig", vastgesteld door de raad van de gemeente Noordwijk op 18 december 2014 en het plan "Paraplu Bestemmingsplan Parkeren", vastgesteld door de raad op 15 maart 2018 (hierna: het paraplubestemmingsplan).

2.       Op 24 april 2018 heeft [appellant] een aanvraag gedaan voor een omgevingsvergunning voor het bouwkundig splitsen van de woning, waardoor twee afzonderlijke wooneenheden van 45 m² worden gerealiseerd. Als gevolg van deze splitsing neemt de parkeerbehoefte op grond van de parkeernormen in het paraplubestemmingsplan toe met, afgerond, één parkeerplek.

3.       Het college heeft geweigerd de omgevingsvergunning te verlenen. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat de aanvraag niet voldoet aan het paraplubestemmingsplan, omdat niet wordt voorzien in de realisering van de benodigde parkeerplek. Omdat dit tekort niet kan worden opgelost in de openbare ruimte, heeft het college geen toepassing gegeven aan de bevoegdheid om de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo).

4.       De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de aanvraag niet in overeenstemming is met de regels van het paraplubestemmingsplan en dat het college in redelijkheid kon besluiten om niet met toepassing van artikel 2.12 van de Wabo af te wijken van het paraplubestemmingsplan.

5.       [appellant] is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank en heeft hoger beroep ingesteld.

Beoordelingskader

6.       De relevante regels uit de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), Wabo en het paraplubestemmingsplan, en het relevante beleid, staan in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Het hoger beroep

Voldaan aan de parkeereis in het parkeerbeleid?

7.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat twee in de directe omgeving van de woning gelegen garageboxen aan de [locatie B] en [locatie C] te Noordwijk (hierna: de garageboxen) niet mogen meetellen bij de beantwoording van de vraag of na de splitsing van de woning wordt voldaan aan de gemeentelijke parkeernormen. De garageboxen, die zijn gerealiseerd ten behoeve van het appartementencomplex en die hij in eigendom heeft, kunnen volgens [appellant] de parkeerbehoefte na splitsing opvangen, omdat deze garageboxen niet eerder als parkeerplekken zijn uitgegeven bij het oorspronkelijke bouwplan voor het appartementencomplex en in de bestaande situatie niet worden gebruikt om te parkeren. [appellant] wijst erop dat door middel van een voorschrift kan worden verzekerd dat de garageboxen worden gebruikt ten behoeve van de twee te realiseren appartementen.

Op de zitting heeft [appellant] aangevoerd dat het college ten onrechte niet heeft gemotiveerd hoe de garageboxen zouden zijn meegenomen bij het bepalen van de parkeercapaciteit van het oorspronkelijke bouwplan voor het appartementencomplex.

7.1.    Het college heeft zich in het besluit van 25 april 2019, onder verwijzing naar het advies van de regionale commissie bezwaarschriften, op het standpunt gesteld dat met de bestaande garageboxen niet wordt voldaan aan de parkeereis in de "Nota Parkeren en Stallen Noordwijk 2013" (hierna: de parkeernota), aangezien de garageboxen geen nieuw gecreëerde parkeerplekken zijn. Volgens het college zijn de garageboxen al eerder uitgegeven bij het appartementencomplex en aan te merken als bestaande parkeerplekken. Dat, naar [appellant] stelt, de garageboxen in de bestaande situatie niet werden gebruikt om te parkeren, is volgens het college niet van belang, aangezien de garageboxen in de bestaande situatie konden worden gebruikt om te parkeren. Het college verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 2 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2924. Uit die uitspraak volgt volgens het college dat ter bepaling van het bestaande aanbod aan parkeerplaatsen het aantal parkeerplaatsen in aanmerking moet worden genomen dat objectief bezien op het eigen terrein kon worden gerealiseerd.

7.2.    Zoals de rechtbank heeft overwogen in de aangevallen uitspraak, regelt het paraplubestemmingsplan dat in het bestemmingsplan parkeereisen worden gesteld, zodat aanvragen om omgevingsvergunning daaraan kunnen worden getoetst.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de aanvraag niet in overeenstemming is met artikel 3.1.1 van de regels van het paraplubestemmingsplan en dat het college in redelijkheid kon besluiten om niet met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 4, aanhef en onderdeel 9, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, af te wijken van het paraplubestemmingsplan. Op grond van die bepaling kan het college afwijken van de in artikel 3.1.1 van de regels van het paraplubestemmingsplan neergelegde voorwaarde dat het gebruiken en/of bebouwen van gronden uitsluitend is toegestaan indien voldaan wordt aan de gemeentelijke parkeernormen, met bijbehorende eisen voor locatie en inrichting, in de parkeernota.

7.3.    Over de parkeereis, zoals bedoeld in artikel 3.1.1 van de regels van het paraplubestemmingsplan, staat op pagina 3 van de parkeernota dat deze eis het aantal parkeerplaatsen betreft dat conform de berekende parkeerbehoefte op eigen terrein moet worden gerealiseerd. Voor het bepalen van de parkeereis worden de in bijlage 1 bij de parkeernota opgenomen parkeernormen gehanteerd.

De Afdeling stelt met de rechtbank vast dat conform de in de parkeernota opgenomen parkeernormen, de parkeerbehoefte voor een woning tot 70 m², 0,95 bedraagt voor de bewoners en 0,3 voor bezoekers. Voor de beide woningen die [appellant] wil realiseren komt dit neer op een totale parkeerbehoefte van 2,5 parkeerplaatsen. De parkeerbehoefte in de huidige situatie, waarin sprake is van één ongesplitste woning, bedraagt 1,4. Hierin wordt voorzien door parkeerruimte op het privéparkeerterrein van het appartementencomplex. Dit betekent dat de parkeerbehoefte na splitsing van de woning, afgerond één parkeerplaats bedraagt.

7.4.    De rechtbank heeft overwogen dat [appellant] niet heeft voorzien in de parkeerbehoefte na splitsing van de woning, omdat met het beschikbaar stellen van de twee garageboxen geen extra parkeerplaats wordt gerealiseerd. Hiertoe heeft zij van belang geacht dat deze garageboxen tot hetzelfde bouwplan behoren als de woningen van het complex en het daarbij behorende privéparkeerterrein en dat de garageboxen destijds zijn gerealiseerd als voorziening bij de gebouwde woningen.

De Afdeling volgt de rechtbank hierin niet. Het standpunt van het college dat de garageboxen zijn aan te merken als bestaande parkeerplaatsen, zodat er met het beschikbaar stellen van de boxen geen nieuwe parkeerplaatsen op eigen terrein worden gerealiseerd, is naar het oordeel van de Afdeling ontoereikend gemotiveerd. Het college heeft weliswaar gesteld dat de garageboxen zijn uitgegeven als voorziening bij het appartementencomplex, maar het heeft niet heeft gemotiveerd waaruit blijkt dat de garageboxen destijds in aanmerking zijn genomen als parkeerplekken bij het toestaan van de appartementen. Daar komt nog bij dat het college de vraag of met het beschikbaar stellen van de garageboxen wordt voorzien in een nieuwe parkeerplaats op het eigen terrein, aldus benadert op complexniveau, terwijl het niet heeft gemotiveerd wat de bestaande parkeerbehoefte is van het appartementencomplex waartoe de te splitsen woning en de garageboxen behoren. Een vaststelling van de bestaande parkeerbehoefte is van belang om te kunnen bepalen of in dit geval, ook na splitsing van de woning, los van de vraag of er een nieuwe parkeerplaats wordt gerealiseerd, op complexniveau niet toch aan de parkeereis wordt voldaan. Niet inzichtelijk is gemaakt of de capaciteit van het privéparkeerterrein en de twee garageboxen mogelijk de parkeerbehoefte die het complex in de bestaande situatie genereert al overtreft, zodat er nog ruimte zou zijn om de parkeerbehoefte na splitsing van de woning op te vangen.

Gelet op het voorgaande, is de Afdeling van oordeel dat het college in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb, niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat na realisering van de woningsplitsing niet aan de parkeereis in de parkeernota kan worden voldaan. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

Het betoog slaagt.

8.       Uit het oogpunt van definitieve geschilbeslechting, ziet de Afdeling aanleiding om de navolgende hogerberoepsgronden van [appellant] te bespreken.

Afwijken van de parkeereis met toepassing van de maatwerkbepalingen in het parkeerbeleid

9.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij niet met behulp van een onafhankelijk onderzoek aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van structurele restcapaciteit in de directe omgeving van het bouwplan. [appellant] betwist dat een onafhankelijk onderzoek in dit geval een bijdrage zou kunnen leveren aan het antwoord op de vraag of sprake is van structurele restcapaciteit als bedoeld in het parkeerbeleid. Volgens [appellant] is het een algemeen bekend feit dat er voldoende parkeercapaciteit is in de omgeving, waaronder op het nabijgelegen parkeerterrein "Het Wantveld". Daarmee kan volgens hem de parkeerbehoefte van het bouwplan worden opgelost.

9.1.    Als niet kan worden voldaan aan de parkeereis kan, als de stappen a en b op pagina 4 van de parkeernota zijn doorlopen, bij stap c worden gekeken of er in de directe omgeving van het bouwplan (structurele) restcapaciteit is waar de parkeerbehoefte kan worden opgelost. In de parkeernota staat dat een belangrijk uitgangspunt daarbij is dat de directe omgeving wordt beschermd tegen parkeeroverlast door een te hoge parkeerdruk. De parkeerdruk in de directe omgeving moet acceptabel blijven en daarvan is sprake als de parkeerdruk in de directe omgeving, inclusief de parkeerbehoefte van de nieuwe ontwikkelingen, onder de 85% blijft. Voor het vaststellen van de parkeerdruk in de directe omgeving zal een parkeeronderzoek moeten worden uitgevoerd. De kosten voor een dergelijk onafhankelijk onderzoek komen voor rekening van de initiatiefnemer. De eisen waaraan een dergelijk onderzoek moet voldoen worden opgesteld door de gemeente, zo vermeldt de parkeernota.

Met de rechtbank stelt de Afdeling vast dat [appellant] geen parkeeronderzoek heeft laten verrichten. Omdat een parkeeronderzoek ontbreekt, is niet gebleken dat er sprake is van een structurele restcapaciteit die de extra parkeerdruk die door het splitsen van de woning ontstaat zou kunnen opvangen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank [appellant] terecht niet gevolgd in zijn stelling dat zo'n parkeeronderzoek nutteloos is omdat er volgens hem op het parkeerterrein "Het Wantveld" voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zijn. Met deze stelling heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat er in de directe omgeving van de woning voldoende parkeerplek is en de parkeerdruk daar niet onacceptabel toeneemt als gevolg van het bouwplan. Het aangevoerde geeft geen grond voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat het college in zoverre van de in de parkeernota neergelegde parkeereis had moeten afwijken.

Het betoog slaagt niet.

Afwijken van het parkeerbeleid

10.     Voor zover [appellant] in zijn hogerberoepschrift betoogt dat er volgens hem bijzondere omstandigheden zijn die maken dat het handelen in overstemming met de beleidsregel, gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen, zodat het college ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 4:84 van de Awb, overweegt de Afdeling dat [appellant] deze grond en de daaraan ten grondslag liggende feiten voor het eerst in hoger beroep heeft aangevoerd. Dit betoog moet buiten beschouwing blijven, omdat het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank en er geen reden is waarom het betoog dat het college ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 4:84 van de Awb, niet al bij de rechtbank kon worden gehouden. [appellant] had dit uit het oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen wel moeten doen.

Gelijkheidsbeginsel

11.     [appellant] betoogt dat de eigenaren van de percelen [locatie D] en [locatie E] in het verleden wel een vergunning hebben gekregen om hun woning te splitsen.

11.1.  In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat [appellant] voor het eerst op de zitting bij de rechtbank een beroep heeft gedaan op het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een nieuwe beroepsgrond, waarop het college niet heeft kunnen reageren. De rechtbank heeft de beroepsgrond over het gelijkheidsbeginsel vanwege strijd met een goede procesorde niet besproken.

Omdat het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak, kan in hoger beroep evenmin aan behandeling van de beroepsgrond over het gelijkheidsbeginsel worden toegekomen. Dit betekent dat de Afdeling deze beroepsgrond buiten beschouwing zal laten.

Conclusie

12.     Uit wat hiervoor onder 7.4 is overwogen, volgt dat het besluit van 25 april 2019 is genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Dit leidt tot de conclusie dat het hoger beroep gegrond is. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 25 april 2019 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Het college dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

13.     Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit alleen bij haar beroep kan worden ingesteld.

14.     Het college moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 juli 2020 in zaak nr. 19/3539;

III.      verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.      vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk van 25 april 2019, met kenmerk 2019061203;

V.       bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit op het bezwaar van [appellant] alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VI.      veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.992,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII.     gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 439,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2021

271-933

 

BIJLAGE

 

Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Artikel 4:84

Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

Artikel 7:12

1. De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. Daarbij wordt, indien ingevolge artikel 7:3 van het horen is afgezien, tevens aangegeven op welke grond dat is geschied.

(…)

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

Artikel 2.1

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

b. het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald,

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,

(…).

Artikel 2.10

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:

a. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of 120 van de Woningwet;

b. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij de bouwverordening of, zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, met de voorschriften die zijn gesteld bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, van de Woningwet dan wel bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 120 van die wet;

c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12;

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend;

e. de activiteit een wegtunnel als bedoeld in de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels betreft en uit de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden blijkt dat niet wordt voldaan aan de in artikel 6, eerste lid, van die wet gestelde norm.

2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Artikel 2.12

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;

(…)

Regels van het plan "Paraplu Bestemmingsplan Parkeren"

Artikel 2

De 'Bestemmingsregels' van de geldende bestemmingsplannen binnen het plangebied blijven van toepassing.

Artikel 2a

De regels in dit bestemmingsplan zijn van toepassing aanvullend op de alle bestemmingsplannen en beheersverordeningen welke ten tijde van de terinzage legging van dit ontwerp bestemmingsplan in werking waren.

Artikel 3.1.1

Het gebruiken en/of bebouwen van gronden is uitsluitend toegestaan indien voldaan wordt aan de gemeentelijke parkeernormen (met bijbehorende eisen voor locatie en inrichting) ten behoeve van (vracht)auto's en overige verkeersvoertuigen en de bijhorende bepalingen omtrent de ontsluiting en bevoorrading zoals die zijn neergelegd in 'Nota Parkeren en Stallen Noordwijk 2013', dan wel de opvolger daarvan. Deze eis geldt als een voorwaardelijke verplichting in de zin van de Wet ruimtelijke ordening.

"Nota Parkeren en Stallen Noordwijk 2013"

Pagina 3 en 4:

(…)

Het bepalen van de parkeereis voor een ontwikkeling

De parkeereis is het aantal parkeerplaatsen dat conform de berekende parkeerbehoefte op eigen terrein moet worden gerealiseerd. Voor het bepalen van de parkeereis worden de in bijlage 1 bij deze nota opgenomen parkeernormen gehanteerd.

(…)

Mogelijkheid tot maatwerk

Afwijken van de parkeereis kan indien aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. Het is dan aan de initiatiefnemer om aan te tonen op grond waarvan dat zou moeten gebeuren. Mogelijke argumenten zijn: uitzonderlijke gebieden en situaties of de introductie van speciale maatregelen om automobiliteit te verminderen. Een andere mogelijkheid is dat het om een functie gaat die in het CROW niet voorzien is. Het College van B&W heeft mandaat om een gewijzigde parkeereis op te leggen of, in uitzonderlijke gevallen, vrijstelling te verlenen.

Indien de ontwikkelaar wenst af te wijken van de parkeereis dienen onderstaande stappen te worden doorlopen. De bewijslast ligt bij de initiatiefnemer van de bouwontwikkeling.

a.  Indien realisatie van de benodigde parkeerplaatsen op eigen terrein niet mogelijk lijkt, dient te worden beoordeeld of aanpassing van de bouwontwikkeling kan leiden tot het wel voldoen aan de gemeentelijke parkeereis. Bij het beoordelen van de vraag of aanpassing van het plan middels realisatie van meer parkeerplaatsen of minder bouwvolume mogelijk is, kan de omvang van de financiële consequenties een discussiepunt vormen. Om die reden is het van belang dat de initiatiefnemer aantoont dat eventuele aanpassing niet realistisch is.

b.  Wanneer op een andere wijze aan de parkeereis kan worden voldaan dan op eigen terrein, moet nauwkeurig aangegeven worden hoe dit gebeurt. De parkeerbehoefte kan mogelijk binnen een acceptabele loopafstand van het bouwplan worden gecompenseerd op een naburig privaat terrein of in een private parkeervoorziening. Aangetoond moet worden dat deze parkeerplaatsen ten behoeve van het betreffende bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning wordt aangevraagd, middels een privaatrechtelijke overeenkomst kunnen worden aangewend voor een periode van tenminste 20 jaar voor de betreffende ontwikkeling.

c.  Indien over bovenstaande stappen duidelijkheid is en blijkt dat niet aan de parkeereis kan worden voldaan, dan kan worden gekeken of er in de directe omgeving (structurele) restcapaciteit is waar de parkeerbehoefte kan worden opgelost. Belangrijk uitgangspunt hierbij is dat de directe omgeving wordt beschermd tegen parkeeroverlast door een te hoge parkeerdruk. De parkeerdruk in de directe omgeving moet acceptabel blijven. Hiervan is sprake indien de parkeerdruk in de directe omgeving (incl. de parkeerbehoefte van de nieuwe ontwikkelingen) onder de 85% blijft.

• Onder de directe omgeving wordt verstaan, de omgeving binnen de maximale loopafstanden conform opgenomen in de nota, met een maximum van 200 meter rondom de bouwontwikkeling.

• Voor het vaststellen van de parkeerdruk in de directe omgeving zal een parkeeronderzoek moeten worden uitgevoerd. Vastgesteld moet worden of er op het maatgevend moment sprake is van structurele restcapaciteit. De kosten voor een dergelijk onafhankelijk onderzoek komen voor rekening van de initiatiefnemer. De eisen waaraan een dergelijk onderzoek moet voldoen worden opgesteld door de gemeente.

•  Als uit onderzoek is gebleken dat er sprake is van structurele restcapaciteit, dan kan worden afgeweken van de parkeereis, zowel voor het bezoekersdeel als voor het gebruikersdeel van de parkeervraag. Partijen maken afspraken over een financiële bijdrage voor gebruik van de openbare ruimte voor oplossing van de parkeereis.

(…)

Artikel delen