Menu

Zoek op
rubriek
Omgevingsweb
0

ECLI:NL:RVS:2020:257

29 januari 2020

Jurisprudentie – Uitspraken

Uitspraak

201903906/1/A1.

Datum uitspraak: 29 januari 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Wouw, gemeente Roosendaal,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 4 april 2019 in zaken nrs. 18/8336 en 19/956 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal.

Procesverloop

Bij besluit van 9 mei 2018 heeft het college [appellant] onder aanzegging van bestuursdwang gelast om binnen vier weken na verzending van dat besluit de op het perceel [locatie 1] te Wouw (hierna: het perceel) aanwezige loods met inbegrip van de daarin aanwezige smeerput te verwijderen en verwijderd te houden en het perceel volledig te ontruimen en vrij te maken en te houden van de in het besluit omschreven materialen en materieel.

Bij besluit van 29 oktober 2018 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 9 mei 2018 in stand gelaten.

Bij afzonderlijk besluit van 29 oktober 2018 heeft het college de kosten voor het toepassen van bestuursdwang vastgesteld op € 6.096,04 en deze kosten op [appellant] verhaald.

Bij uitspraak van 4 april 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen de beide besluiten van 29 oktober 2018 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 december 2019, waar [appellant], bijgestaan door mr. C.G.A. Mattheussens, advocaat te Roosendaal, en het college, vertegenwoordigd door mr. Y. Bons, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het college heeft [appellant] bij besluit van 5 april 2017 onder oplegging van een dwangsom gelast om de op het perceel aanwezige loods te verwijderen en verwijderd te houden en de strook gemeentegrond achter zijn woonwagen te ontruimen en ontruimd te houden. Het hiertegen door [appellant] ingestelde bezwaar is door het college ongegrond verklaard en het vervolgens door hem ingestelde beroep is door de rechtbank ongegrond verklaard. De Afdeling heeft in een uitspraak van 26 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2021) die uitspraak van de rechtbank bevestigd. Omdat deze procedure er niet toe leidde dat de overtredingen ongedaan zijn gemaakt, heeft het college [appellant] in het besluit van 9 mei 2018, ditmaal onder aanzegging van bestuursdwang, nogmaals gelast de overtredingen ongedaan te maken. Het hiertegen door [appellant] gemaakte bezwaar is bij het besluit van 29 oktober 2018 ongegrond verklaard. Omdat [appellant] niet aan de last voldeed, heeft het college op 17 september 2018 de overtreding laten beëindigen door een aannemer. De daarmee gemoeide kosten heeft het college op [appellant] verhaald.

De last tot het verwijderen van de loods en de smeerput

2.    

2.1.    In het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Wouw" is aan het perceel (hierna: het woonperceel) de bestemming "Wonen - 2" en de functieaanduiding "Woonwagenstandplaats" toegekend.

Artikel 24.1 van de planregels, luidt:

"De voor "Wonen - 2" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. twee-aaneen gebouwde, geschakelde en vrijstaande woningen:

b. per bestemmingsvlak is maximaal 1 woning toegestaan, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding "woonwagenstandplaats" uitsluitend woonwagenstandplaatsen zijn toegestaan."

2.2.    Tussen partijen is niet in geschil dat voor de bouw van de loods en de smeerput een omgevingsvergunning is vereist en dat deze niet is verleend. Het college is daarom bevoegd om handhavend op te treden. De stelling van [appellant] dat de loods op een ander perceel staat dan in de aanschrijving is genoemd, namelijk het perceel [locatie 2], en dat de op het perceel [locatie 1] aanwezige bouwwerken tijdig zijn verwijderd, leidt niet tot het daarmee door [appellant] beoogde doel. Ter zitting van de Afdeling is immers vastgesteld dat tussen partijen duidelijk is op welke loods de last betrekking heeft. Het gaat om de loods die aanwezig is op het perceel [locatie 1] en die doorloopt op het perceel [locatie 2]. Op een foto die bij het op 6 februari 2018 aan [appellant] verzonden voornemen tot het opleggen van een last onder bestuursdwang is gevoegd, zijn de smeerput en de loods zichtbaar. Uit het op 15 juni 2018 door een gemeentelijke toezichthouder opgestelde constateringsrapport blijkt dat de loods op die datum niet geheel verwijderd was, omdat wanden ervan nog overeind stonden en dakbalken ervan nog aanwezig waren. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat ten tijde van de oplegging van de last onder bestuursdwang geen overtreding meer bestond. Zij heeft terecht overwogen dat het college bevoegd is om handhavend op te treden tegen de aanwezigheid van de loods en de smeerput

Het betoog faalt.

3.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat er bijzondere omstandigheden zijn die aan handhavend optreden in de weg staan. Volgens hem is van belang dat de loods en de smeerput nimmer tot overlast of klachten hebben geleid en tientallen jaren ongemoeid zijn gelaten. De gelaste verwijdering van de loods en de smeerput betekent het einde van de bedrijfsuitoefening van [appellant]. Hij voert daarnaast aan dat hij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat het college van handhavend optreden zou afzien. Handhavend optreden is volgens [appellant] ten slotte in strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat diverse ondernemers bedrijven uitoefenen op gronden met een woonbestemming. Zo stelt hij dat op het perceel Boterstraat 18 een kapsalon wordt geëxploiteerd.

4.1.    De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat bijzondere omstandigheden aanwezig zijn op grond waarvan het college van handhavend optreden had moeten afzien. De Afdeling heeft op 26 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2021) uitspraak gedaan op het hoger beroep van [appellant] over de bij besluit van 5 april 2017 aan hem opgelegde last onder dwangsom tot verwijdering van de loods. In die uitspraak is onder meer overwogen dat niet is gebleken dat het college heeft ingestemd met de aanwezigheid en het gebruik van de loods op het perceel. Dat het college gedurende lange tijd niet handhavend heeft opgetreden tegen de aanwezigheid van de loods, leidt er volgens de uitspraak van 26 juni 2019 evenmin toe dat [appellant] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat daartegen niet handhavend zou worden opgetreden. De Afdeling ziet geen aanleiding om thans tot een ander oordeel te komen en ziet evenmin aanleiding om aan te nemen dat handhavend optreden in strijd is met het verbod van willekeur.

De rechtbank heeft eveneens terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat handhavend optreden in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Zij heeft terecht overwogen dat het niet is toegestaan om op een woonwagenstandplaats een kapsalon te exploiteren. Het college heeft ter zitting van de rechtbank verklaard dat dit op Boterstraat 18 ook niet gebeurt, omdat op dat adres een ambulante kapster woont die op locatie haar beroep uitoefent. Het college heeft daarnaast ter zitting van de Afdeling aangegeven dat het handhavend zal optreden indien hem blijkt dat met de woonbestemming strijdig gebruik plaatsvindt. Gelet hierop is het handhavend optreden tegen [appellant] niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank is terecht tot die conclusie gekomen.

Het betoog faalt.

De last tot verwijdering van het sloopmateriaal en ander afval

5.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college bevoegd was om handhavend op te treden tegen de aanwezigheid van sloopmateriaal en ander afval op de strook gemeentegrond naast het perceel. Volgens hem heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het sloopmateriaal en het andere afval op de strook gemeentegrond aan hem toebehoorde. [appellant] betwist dat uit de foto’s en beschrijvingen van de toezichthouder volgt dat de goederen aan hem toebehoren.

5.1.    De gemeentelijke toezichthouder J.C.W. Linders heeft op onder meer 27 november 2017 en 9 april 2018 controlebezoeken ter plaatse gebracht. In de verslagen die van die controlebezoeken zijn opgemaakt, is opgenomen dat het afval achter het perceel [locatie 1] gezien de aard en hoeveelheid ervan afkomstig lijkt te zijn van de gedeeltelijke sloop van bouwwerken op de percelen met de nummer [locatie 1] en [locatie 2], omdat in de toen aangetroffen afvalhoop balken, stukken van houten platen en een damwand aanwezig zijn die hetzelfde zijn als de materialen die in de nog aanwezige restanten van de bouwwerken op die percelen zijn verwerkt. Ook liggen er verschillende onderdelen van auto’s. Opgenomen is dat op de percelen met de nummers [locatie 1] en [locatie 2] een garagebedrijf was gevestigd en dat [appellant] heeft aangegeven hiermee te moeten stoppen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat er hierdoor vanuit mag worden gegaan dat de aangetroffen materialen aan [appellant] toebehoren. De stelling van [appellant] dat het aanwezige afval door anderen was gedumpt en dat het aan hem toebehorende afval reeds was verwijderd, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.

6.    [appellant] betoogt tevergeefs dat handhavend optreden in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, omdat andere bewoners veel vuil achterlaten en daarop niet door het college worden aangesproken. Ter zitting van de Afdeling heeft het college aangegeven dat het meldingen over afvaldumpingen onderzoekt en zo nodig dan ook jegens andere vervuilers handhavend optreedt. Gelet hierop heeft het college niet gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

Het kostenverhaal

7.    [appellant] betoogt tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college de kosten van het toepassen van bestuursdwang terecht op hem heeft verhaald. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 10 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1245) gaan bestuursdwang en kostenverhaal als regel samen. Voor het maken van een uitzondering kan aanleiding bestaan indien de aangeschrevene van de ontstane situatie geen verwijt valt te maken en bij het ongedaan maken van de met het recht strijdige situatie het algemeen belang in die mate is betrokken, dat de betreffende kosten in redelijkheid niet of niet geheel voor rekening van de aangeschrevene behoren te komen. Verder kunnen andere bijzondere omstandigheden het bestuursorgaan nopen tot het geheel of gedeeltelijk afzien van kostenverhaal. De rechtbank heeft terecht overwogen dat niet is gebleken van dergelijke bijzondere omstandigheden.

Conclusie

8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Duifhuizen, griffier.

w.g. Hoekstra    w.g. Duifhuizen

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2020

724.

Artikel delen