Menu

Zoek op
rubriek
Omgevingsweb
0

ECLI:NL:RBNNE:2021:4970

19 november 2021

Jurisprudentie – Uitspraken

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 21/2911

uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 november 2021 in de zaak tussen

Natuur en Milieufederatie Groningen e.a, te Groningen, verzoekers

(gemachtigde: [persoon 1] ),

en

Gedeputeerde Staten van de provincie Groningen, verweerder(gemachtigde: mr. I. de Jong).

Als derde-partij neemt aan het geding deel: de gemeente Groningen

(gemachtigde: mr. R. Snel)

Procesverloop

In het besluit van 14 september 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder ten behoeve van het realiseren van de woonwijk de Suikerzijde en tevens vanwege de aanleg van een natuurcompensatiegebied in leefgebied van weidevogels, ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) verleend:

  • ten aanzien van geoorde fuut, graspieper, grutto, scholekster, kievit, gele kwikstaart, kluut, slobeend, wilde eend, zomertaling, wintertaling van het verbod op het opzettelijk vernielen, beschadigen of wegnemen van nesten, rustplaatsen of eieren (3.1, tweede lid, van de Wnb);

  • ten aanzien van watervleermuis en meervleermuis de gevraagde ontheffing te verlenen van het verbod op het opzettelijk verstoren (artikel 3.5, tweede lid, van de Wnb), beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen (artikel 3.5, vierde lid, van de Wnb);

  • ten aanzien van poelkikker de gevraagde ontheffing te verlenen van het verbod op: opzettelijk vangen (artikel 3.5, eerste lid, van de Wnb) opzettelijk verstoren (artikel 3.5, tweede lid, van de Wnb) beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen (artikel 3.5, vierde lid, van de Wnb);

De ontheffing geldt vanaf de datum van het bestreden besluit tot 1 augustus 2031.

Verzoekers hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder en de derde-partij hebben reacties ingediend.

Op 3 november 2021 heeft de derde-partij nadere stukken ingediend, waaronder de rapporten van Regelink van 28 oktober 2021 en van A&W van 26 oktober 2021.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 4 november 2021 op zitting behandeld. Voor verzoekers zijn verschenen [persoon 1] en [persoon 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verder zijn namens verweerder verschenen [persoon 3] en [persoon 4] . Voor de derde-partij zijn verschenen de gemachtigde en verder [persoon 5] , [persoon 6] , [persoon 7] , [persoon 8] .

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. De gemeente Groningen is voornemens een nieuwe woonwijk - De Suikerzijde - te realiseren. Het plangebied ligt op het terrein van de voormalige Suiker Unie fabriek, gelegen tussen het Hoendiep, de Johan van Zwedenlaan, de spoorlijn Groningen-Leeuwarden en de watergang tussen het voorterrein en het vloeiveldenterrein van de voormalige suikerfabriek.

Het thans voorliggende plan maakt de realisatie van 750 woningen, alsmede commerciële, maatschappelijke, infrastructurele en groenvoorzieningen mogelijk. In verband met het voorgenomen plan heeft de derde-partij onderzoek laten verrichten naar de natuurwaarden in het gebied. Uit onderzoek blijkt dat het plangebied essentieel foerageergebied voor meervleermuis en watervleermuis en leefgebied voor poelkikker vormt. Daarnaast vormt het plangebied belangrijk leefgebied voor Geoorde fuut. Dit leefgebied gaat door de realisatie van de woonwijk verloren. Blijkens de rapporten is de derde-partij voornemens om compensatiegebieden aan te leggen om de effecten op de betreffende diersoorten tegen te gaan. Een deel van de compensatie wordt aangelegd in leefgebied van weidevogels (grutto, tureluur, kievit, scholekster, kluut, Gele kwikstaart, graspieper, krakeend, slobeend, zomertaling, wintertaling, Wilde eend en meerkoet). Hierdoor gaat beschermd leefgebied van de weidevogels verloren. Voor verlies van habitat van meervleermuis, watervleermuis, poelkikker, geoorde fuut en de weidevogels is ontheffing van de Wnb noodzakelijk.

2.1.Op drie locaties wordt natuurcompensatie aangelegd:

'Natuurcompensatiegebied 1' voor vleermuizen en Geoorde fuut, ligt ten zuiden van de spoorlijn Groningen - Leeuwarden en ten oosten van de Johan van Zwedenlaan. Dit gebied bestaat ook uit een aantal vloeivelden van de voormalige suikerfabriek

'Natuurcompensatiegebied 2' voor vleermuizen en Geoorde fuut ligt in polder De Oude Held, ten noordwesten van de geplande woonwijk, ten westen van de Johan van Zwedenlaan, ten noorden van het Hoendiep en ten zuiden van de woonwijk De Held. Het gebied bestaat uit extensief beheerde weilanden.

'Natuurcompensatiegebied 3' voor de weidevogels uit Natuurcompensatiegebied 2 ligt ten noordwesten van Leegkerk, ten oosten van het Aduarderdiep en ten zuiden van de Friesestraatweg (N355). Dit gebied bestaat uit weilanden.

2.2.Aan de aanvraag heeft de derde-partij de rapporten van bureau Waardenburg van 1 februari 2019, het rapport van Regelink van 3 februari 2020 en het rapport ‘effecten op de geoorde fuut actualisatie’ van 18 januari 2021 van Altenburg & Wymenga ten grondslag gelegd. Uit de rapporten, alsmede uit het aanvullende rapport van Altenburg en Wymenga van 31 augustus 2021, ‘beoordeling weidevogelcompensatie bij Leegkerk ten behoeve van het project Suikerzijde’, dat verweerder heeft laten opstellen, blijkt dat door de mitigerende en de compenserende maatregelen geen verslechtering van de staat van instandhouding van de betreffende diersoorten wordt verwacht.

2.3.Omdat volgens verweerder ook aan de andere wettelijke voorwaarden wordt voldaan heeft verweerder de gevraagde ontheffing verleend.

Spoedeisend belang

3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) treft de voorzieningenrechter alleen een voorlopige voorziening als ‘onverwijlde spoed’ dat vereist.

3.1.Het verzoek strekt ertoe het bestreden besluit te schorsen totdat het besluit onherroepelijk is. Hiermee willen verzoekers voorkomen dat al hangende de lopende procedure(s) met de werkzaamheden wordt begonnen, hetgeen tot onomkeerbare gevolgen zal leiden voor de in het plangebied aanwezige beschermde soorten.

3.2.De derde-partij wil zo snel mogelijk beginnen met de realisatie van het plan. Uit de stukken en uit het verhandelde op de zitting is gebleken dat de derde-partij vanaf eind november 2021 de laatste kapwerkzaamheden wil verrichten en wil starten met het dempen van de bassins en het egaliseren van het werkterrein in het oostelijk plangebied. Dit is volgens de voorschriften van de vergunning ook mogelijk indien uit rapportages blijkt dat compensatiegebied 1 functioneert. Een beslissing op het bezwaarschrift valt voorts niet vóór januari of februari 2022 te verwachten. Gelet op de startdatum, de onomkeerbaarheid van voornoemde (kap)werkzaamheden en de daarmee samenhangende verstoring van de beschermde diersoorten in en om het plangebied, hebben verzoekers naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende spoedeisend belang bij hun verzoek.

Bereik van de gevraagde voorziening

4. De derde-partij en verweerder stellen zich op het standpunt dat het verzoek om voorlopige voorziening slechts betrekking kan hebben op de werkzaamheden die plaatsvinden in de periode tot het besluit op bezwaar, te weten de kapwerkzaamheden, het dempen van de bassins en het egaliseren van het terrein. De opvolgende werkzaamheden zullen op zijn vroegst na het broedseizoen van 2022 worden hervat, zodat op dat moment een beslissing op bezwaar voorhanden zal zijn. Ten aanzien van de werkzaamheden die gepland staan voor na de beslissing op bezwaar kan volgens hen geen voorziening worden getroffen.

4.1.De voorzieningenrechter overweegt dat naar haar oordeel het besluit niet kan worden opgeknipt als door de derde-partij en verweerder betoogd. De voorzieningenrechter stelt daarbij voorop dat thans niet de vraag voorligt, of compensatiegebied 1 in zowel kwantitatief als kwalitatief opzicht voldoende compensatie vormt voor het dempen van de in deze fase geplande oostelijke bassins. De vraag die voorligt is de vraag of aanleiding bestaat om het bestreden besluit te schorsen. Daarbij dient het bestreden besluit in zijn geheel te worden bezien. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is het bestreden besluit voorts één en ondeelbaar. Zij vindt hiervoor steun in de aan de aanvraag ten grondslag liggende stukken, zoals het Activiteitenplan en de rapporten van Regelink en A&W. Hierin is de Wnb beoordeling met betrekking tot de aan de orde zijnde overtredingen en de hiervoor te nemen mitigerende en compenserende maatregelen, als één samenhangend pakket beschouwd. Er kunnen geen aanknopingspunten worden gevonden voor het oordeel dat compensatiegebied 1 specifiek wordt gerealiseerd ten behoeve van of afdoende is voor de in deze fase te dempen oostelijke bassins.

4.2.Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan derhalve de beoordeling van het verzoek niet slechts beperkt blijven tot de onderdelen van het besluit die relevant zijn voor de in de komende maanden te verrichten werkzaamheden. Gelet hierop zal de voorzieningenrechter derhalve hierna de rechtmatigheid van het (gehele) bestreden besluit beoordelen.

Relevante regelgeving

5. De relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Alternatieven

6. Verzoekers stellen dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat er geen alternatieven zijn die minder schadelijk zijn voor de natuurwaarden. Er is niet onderzocht of woningbouw op andere locaties in de woningbehoefte kan voorzien. Niet aannemelijk is geworden dat niet buiten het plangebied, bijvoorbeeld in Meerstad of de Held III, of binnen het plangebied door een andere inrichting door bijvoorbeeld een grotere woningdichtheid, kan worden voorzien in de woningnood en zo natuurwaarden kunnen worden behouden. Derhalve is niet aannemelijk dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat en had de Wnb-ontheffing niet verleend mogen worden.

6.1.Verweerder en de derde-partij stellen zich op het standpunt dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat. Er bestaan geen alternatieve locaties om in de behoefte voor stedelijk wonen te voorzien. Ook de door verzoekers genoemde locaties worden betrokken bij realisatie van de woningopgave van in totaal 20.000 woningen. Woningbouw op alleen die locaties is onvoldoende om in de woningopgave te kunnen voorzien, nog daargelaten dat het daarbij niet om dezelfde woningbehoefte gaat. In dat verband is van belang dat de woningbouw moet aansluiten bij de actuele woningbehoeftes, zowel qua locatie als het soort woningen en wijken waar behoefte aan bestaat. Het gekozen plangebied voldoet daarbij aan de eisen van bereikbaarheid en ontzien van landelijk gebied. Daarbij mag bij realisatie van woningbouw in landelijk gebied rondom de stad bovendien ook verwacht worden dat er beschermde soorten aanwezig zijn. Een aantal gebieden is overwogen en afgevallen als geschikt alternatief (ten noordoosten van de stad, ten zuiden van de stad, richting Garmerwolde en Ten Boer, rond Dorkwerd en Leegkerk).

De voorzieningenrechter stelt voorop dat verweerder beoordelingsvrijheid heeft bij het beantwoorden van de vraag of er een andere bevredigende oplossing bestaat. Bij de beantwoording van deze vraag moet worden gekeken naar het doel van de ingreep, in dit geval het mogelijk maken van woningbouw op het oude Suikerunieterrein. De voorzieningenrechter wijst op vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de AbRS), waaronder de uitspraak van 10 februari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:335), waarin is overwogen dat het doel van de ingreep leidend is en een onderzoek naar alternatieve locaties buiten het beoogde plangebied niet relevant is.

Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat er binnen het beoogde plangebied geen bevredigende oplossingen bestaan. Het compacter aanleggen van woningbouw in het gebied zodat ruimte overblijft voor de natuurwaarden strookt niet met de doelstelling om een aantrekkelijke woonomgeving te realiseren die aansluit bij de wensen van de doelgroep voor de wijk. Overigens is uit de stukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat verweerder ook diverse alternatieven buiten het plangebied heeft bekeken. Een deel van de gevonden locaties dient ook voor de woningbehoefte te worden aangewend terwijl voor een ander deel geldt dat ook daar Wnb verboden zouden worden geschonden. Het betoog van verzoekers slaagt dus niet.

Belang van volksgezondheid en openbare veiligheid

7. Verzoekers voeren aan dat niet gebleken is dat sprake is van een belang van volksgezondheid en openbare veiligheid. Het door verweerder ten behoeve van de geoorde fuut genoemde belang van wonen en werken valt volgens verzoekers niet onder dat belang.

De ontheffing voor de vernietiging van het weidevogelgebied ten behoeve van het compensatiegebied 2 is verleend ter bescherming van flora en fauna. Moedwillige vernietiging van een weidevogelgebied kan volgens verzoekers echter niet de bedoeling zijn van bescherming van flora en fauna. Deze aantasting is ook niet rechtstreeks noodzakelijk om andere flora en fauna te beschermen.

7.1.De derde-partij en verweerder hebben zich in het bestreden besluit onder verwijzing naar het Activiteitenplan, en aangevuld in het verweerschrift, op het standpunt gesteld dat de woningnood ten koste gaat van de volksgezondheid. De derde-partij en verweerder stellen dat de volksgezondheid in het betreffende artikel ruim uitgelegd moet worden, namelijk in de context van de milieudoelstellingen van de Europese Unie. Daartoe hebben zij aangegeven dat het begrip is ontleend aan artikel 9 van de Vogelrichtlijn, welke steunde op het toenmalige artikel 175, eerste lid van het EU-oprichtingsverdrag en strekte tot verwezenlijking van de doeleinden uit het toenmalige artikel 174. In dat laatste artikel is de ‘bescherming van de gezondheid van de mens’ als één van de doeleinden opgenomen, gevoegd tussen andere milieudoeleinden, zoals het behoedzaam en rationeel gebruik van natuurlijke hulpbronnen en het hoofd bieden aan regionale of mondiale milieuproblemen. De derde-partij en verweerder wijzen op Titel XIV met als titel ‘volksgezondheid’ van het VWEU. Verder hebben verweerder en de derde-partij onder meer verwezen naar het artikel van mr. J. Gundelach “vogelvrij, een beschouwing over vogels met jaarrond beschermde verblijfplaatsen in relatie tot ruimtelijke ontwikkelingen”, paragraaf “Koersen op ontheffingsverlening”. Verder hebben zij verwezen naar uitspraken van de AbRS van 2 juli 2008 (ECLI:NL:RVS:2008:BD6084), 21 maart 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BV9455), 17 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2266) en 4 mei 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1227) alsmede naar een arrest van het Hof van Justitie van 8 juli 1987 (ECLI:EU:C:1987:339). Zij menen dat voormelde verwijzingen er op duiden dat onder ‘volksgezondheid’ moet worden verstaan de geestelijke en lichamelijke gezondheid van de mens. De bestaande woningnood kan tot gevolg hebben dat mensen dakloos raken danwel dat mensen langer dan gewenst in een voor hen ongeschikte of gebrekkige woning wonen. Dit heeft gevolgen voor de lichamelijke en geestelijke gezondheid. De derde-partij en verweerder hebben daartoe verwezen naar verschillende publicaties.

7.2.Anders dan verweerder en de derde-partij betogen, dient het begrip ‘volksgezondheid’ in artikel 3.3, vierde lid, onder b en onder 2, van de Wnb, naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter strikt uitgelegd te worden. Het Hof van Justitie heeft in het arrest van 21 juni 2018, ECLI:EU:C:2018:477, Commissie/Malta het volgende overwogen. De lidstaten waarborgen dat elke ingreep die de beschermde soorten raakt, slechts wordt toegestaan op basis van besluiten die steunen op een nauwkeurige en passende motivering waarin wordt verwezen naar de in artikel 9, leden 1 en 2, van de Vogelrichtlijn vermelde redenen, voorwaarden en vereisten. Dit is voorgeschreven, omdat het hier om een uitzonderingsregeling gaat die strikt moet worden uitgelegd en volgens welke de autoriteit die het besluit neemt voor elke afwijking moet bewijzen dat aan de gestelde voorwaarden is voldaan (zie ook het arrest van 7 maart 1996, ECLI:EU:C:1996:86, Associazione Italiana per il WWF e.a., en ook de uitspraak van de AbRS van 15 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1535).

7.3.Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dient, gelet op voornoemde rechtspraak de term ‘volksgezondheid’ strikt te worden uitgelegd. Een ruime uitleg zoals door verweerder wordt voorgestaan, verdraagt zich naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet met genoemde arresten en uitspraak. Wat ook zij van de invulling van dit begrip, naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dient er in elk geval een rechtstreeks verband te zijn tussen de beoogde ingreep en het beschermen van de volksgezondheid (vergelijk de uitspraak van de AbRS van 2 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2114 en de door verweerder en de derde-partij aangehaalde uitspraken). Voor zover wordt uitgegaan van de door de derde-partij voorgestane uitleg van het begrip ‘volksgezondheid’, ziet de voorzieningenrechter in hetgeen is gesteld en de overgelegde publicaties geen aanknopingspunten voor het oordeel dat sprake is van een rechtstreeks verband tussen de beoogde ingreep en het beschermen van de volksgezondheid. Er is onvoldoende gebleken van een rechtstreeks verband tussen woningnood en (verslechtering van) de volksgezondheid. Of een gebrekkige woonsituatie, zoals gesteld, een risico oplevert voor de (volks)gezondheid is, volgens het betoog van de derde-partij en de overgelegde publicaties, namelijk afhankelijk van diverse factoren zoals onder meer de fysieke en mentale gesteldheid van de bewoners, en overige omgevingsfactoren waaronder bijvoorbeeld relaties met anderen. Anders dan het geval is bij de uitspraken waar verweerder en de derde-partij naar hebben verwezen zal niet voor iedereen een gebrekkige woning een risico opleveren voor zijn of haar gezondheid.

7.4.Ten aanzien van compensatiegebied 2 is niet in geschil dat deze wordt aangelegd in een succesvol weidevogelgebied. Weliswaar dient het belang van de aanleg van het compensatiegebied 2 het belang van de vleermuizen en de geoorde fuut, maar de aanleg gaat ten koste van het belang van de weidevogels. Dat is ook niet in geschil. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat de enkele stelling dat het belang van de ene soort prevaleert boven het belang van de andere soort, strookt met de bedoeling en strekking van de Wnb. In dat verband is tevens van belang dat de aanleg van compensatiegebied 3 nog niet afgerond is, dus ook nog geen monitoring heeft plaatsgevonden. Derhalve staat niet vast dat compensatiegebied 3 voldoende functioneert en waarborgt dat de gunstige staat van instandhouding van de betreffende soorten niet in gevaar komt.

7.5.Gelet op het voorgaande bestaat naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter twijfel omtrent de vraag of het aan de ontheffing ten grondslag gelegde belang van de volksgezondheid en flora en fauna de rechtmatigheidstoets kan doorstaan. Het betoog van verzoekers slaagt in zoverre.

Staat van instandhouding

8. Verzoekers voeren aan dat niet wordt voldaan aan de voorwaarde dat de maatregelen niet leiden tot verslechtering van de staat van instandhouding van de geoorde fuut en de weidevogels. Verder wordt niet voldaan aan de voorwaarde dat geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de watervleermuis en de meervleermuis in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Volgens verzoekers vertonen de onderzoeken, die aan de besluitvorming ten grondslag liggen, gebreken en zullen de plannen geen goede compensatie bieden voor de verdreven watervleermuizen, meervleermuizen, geoorde futen en weidevogels. De drie geplande compensatiegebieden voldoen in kwalitatief en/of kwantitatief opzicht niet aan de door de betreffende soorten gestelde eisen aan hun leefgebied. Daarbij wordt er volgens verzoekers ten onrechte van uitgegaan dat compensatiegebied 2 zo ingericht kan worden dat het optimale leefomstandigheden biedt voor alle drie de soorten. De eisen die de soorten aan hun leefgebied stellen zijn daarvoor te tegenstrijdig. Volgens verzoekers dient compensatie per soort te worden bekeken. Verzoekers wijzen ter onderbouwing van hun standpunt op de contra-expertise van Ecosensys van 25 augustus 2021.

8.1.Verweerder en de derde-partij stellen zich op het standpunt dat de maatregelen niet leiden tot verslechtering van de staat van instandhouding van de geoorde fuut en de weidevogels en geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van de betrokken vleermuissoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Verweerder heeft daartoe verwezen naar het rapport van bureau Waardenburg van 1 februari 2019, het rapport van Regelink van 3 februari 2020, het rapport van A&W van 18 januari 2021 en het rapport van A&W van 31 augustus 2021. Uit de (voorlopige deel) rapporten van Regelink van 28 oktober 2021 en A&W van 26 oktober 2021 blijkt verder dat compensatiegebied 1 functioneel is.

8.2.Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is gelet op de tegenstrijdige deskundigenrapporten nader onderzoek nodig om de standpunten van partijen op dit punt te beoordelen, hetgeen zich niet leent voor beoordeling in deze procedure. Bij dat nadere onderzoek kunnen dan ook de vlak voor de zitting door verweerder en de derde-partij ingediende rapporten van Regelink van 28 oktober 2021 en van A&W van 26 oktober 2021 worden betrokken. Immers, verzoekers hebben hierop gelet op de korte tijd voor de zitting niet meer kunnen reageren. Indien desondanks wordt aangevangen met de werkzaamheden, zijn de gevolgen daarvan voor de beschermde diersoorten niet meer te herstellen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient vanwege deze mogelijke onomkeerbare gevolgen voor de natuur een groter gewicht aan de belangen van verzoekers te worden toegekend dan aan de belangen van verweerder en de derde-partij. De voorzieningenrechter ziet gelet op het vorenstaande en hetgeen in 7.3 en 7.4 is overwogen, aanleiding om het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen.

Conclusie

9. Gelet op hetgeen is overwogen in rechtsoverwegingen 7.3, 7.4 en 8.2 bestaat twijfel omtrent de rechtmatigheid van het besluit en dient het besluit tevens in verband met een belangenafweging te worden geschorst. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is in de bodemprocedure nader onderzoek nodig naar de beantwoording van de vraag of wordt voldaan aan de in artikel 3.3, vierde lid, van de Wnb neergelegde voorwaarden, te weten dat de ontheffing nodig is in het belang van de volksgezondheid en de flora en fauna en dat de maatregelen niet leiden tot verslechtering van de staat van instandhouding van de geoorde fuut en de weidevogels.

10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit wordt geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

11. De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat verweerder aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

12. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb juncto artikel 8:84, vierde lid, van de Awb verweerder te veroordelen in de proceskosten van verzoekers. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) bestaan deze proceskosten uit een bedrag van € 1.496,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van

€ 748,- en een wegingsfactor 1).

12.1.Verzoekers verzoeken voorts om vergoeding van de kosten van het deskundigenrapport van Ecosensys (€ 10.145,85). De voorzieningenrechter overweegt dat dit rapport mede is opgesteld voor de voorlopige voorzieningenprocedure en ook van betekenis is geweest voor de beslissing op het verzoek van verzoekers. Die kosten komen daarom voor vergoeding in aanmerking. In de bij het proceskostenformulier gevoegde factuur is toegelicht hoeveel dagdelen de deskundige heeft besteed aan het opstellen van het rapport. Dit aantal komt de voorzieningenrechter niet onredelijk voor. Het uurtarief dat hieruit afgeleid kan worden is voorts lager dan het op grond van het Btsz vastgestelde uurtarief. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten voor het opstellen van het deskundigenrapport wordt - overeenkomstig artikel 2, eerste lid onder b, van het Bpb, artikel 8:36, tweede lid, van de Awb, artikel 6 van het Besluit tarieven in strafzaken - vastgesteld op € 10.145,85.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • schorst het primaire besluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 360,- aan verzoekers te vergoeden;

  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 11.614,85 waarvan € 1.496,- is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en waarvan € 10.145,85 kosten van deskundigen betreft.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.S. van den Berg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F.K. Heiting, griffier, op 18 november 2021. De uitspraak wordt openbaargemaakt op de eerstvolgende maandag na deze datum.

griffier

Voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

BIJLAGE

Regelgeving

Ingevolge artikel 3.1, tweede lid, Wnb is het verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.

Ingevolge artikel 3.1 vierde lid, Wnb, is het verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen.

Ingevolge artikel 3.1 vijfde lid, Wnb is het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Ingevolge artikel 3.3, eerste lid, Wnb kunnen gedeputeerde staten ontheffing verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1, ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren.

Ingevolge artikel 3.3, vierde lid, Wnb wordt een ontheffing of een vrijstelling uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:

a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing;

b. zij is nodig:

1°. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;

(...)

4°. ter bescherming van flora of fauna;

c. de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort.

Artikel 3.5 van de Wnb bepaalt:

1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, met uitzondering van de soorten, bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.

2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren.

(…)

4 . Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen.

Ingevolge artikel 3.8, eerste lid, Wnb, kunnen gedeputeerde staten ontheffing verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in de artikelen 3.5 en 3.6, tweede lid, ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten.

Artikel 3.8, vierde lid, Wnb, bepaalt:

1. Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:

a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing;

b. zij is nodig:

1°. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;

(…)

3°. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;

c. er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.

Artikel 3.10 Wnb, bepaalt:

1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden:

(…).

b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen,

2. Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen:

a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden of van kleinschalige bouwactiviteiten, met inbegrip van het daarop volgende gebruik van het gebied of het gebouwde.

Ingevolge artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht, is de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter, en van het bezwaar of van het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De artikelen 7:15, tweede tot en met vierde lid (https://wetten.overheid.nl/BWBR0005537/2021-11-01), en 7:28, tweede, vierde en vijfde lid (https://wetten.overheid.nl/BWBR0005537/2021-11-01), zijn van toepassing. Een natuurlijke persoon kan slechts in de kosten worden veroordeeld in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de kosten waarop een veroordeling als bedoeld in de eerste volzin uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop bij de uitspraak het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, onder b, Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), kan een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 (https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=8:75&g=2021-11-15&z=2021-11-15) onderscheidenlijk een vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid (https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:15&g=2021-11-15&z=2021-11-15), of 7:28, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=7:28&g=2021-11-15&z=2021-11-15) uitsluitend betrekking hebben op kosten van een getuige of deskundige die door een partij of een belanghebbende is meegebracht of opgeroepen, dan wel van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, onder b, van het Bpb wordt het bedrag van de te

vergoeden kosten ten aanzien van kosten, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van het Bpb

(kosten deskundige(n)) vastgesteld op de vergoeding die ingevolge artikel 8:36, tweede lid,

van de Awb is verschuldigd.

In artikel 8:36, tweede lid, van de Awb is bepaald dat ten aanzien van deze vergoeding het bepaalde bij of krachtens de Wet tarieven in strafzaken van overeenkomstige toepassing is.

De op grond van de Wet tarieven in strafzaken te verstrekken vergoedingen zijn uitgewerkt in het Besluit tarieven in strafzaken (Btsz).

Artikel 6, van het Btsz kent aan de deskundige een bedrag toe van ten hoogste € 134,04 per uur, indien in het Btsz geen speciaal tarief is bepaald.

Artikel delen