← Terug naar vorige pagina

ECLI:NL:RVS:2006:AZ3195

ECLI ECLI:NL:RVS:2006:AZ3195
Hoofdrubriek Luchtkwaliteit, Activiteit, Grenswaarden, Voorlopige voorziening, Winkeltijdenwet, Algemeen Plaatselijke Verordening, Voorzienbaarheid, Stikstof, Buitengebied, Bodem, Afval
Instantie Raad van State
Datum uitspraak 21-11-2006
Vindplaatsen Rechtspraak.nl, Omgevingsvergunning in de praktijk 2006/4479, JAF 2006/103 met annotatie van Van der Meijden
Inhoudsindicatie Bij besluit van 26 september 2006 heeft verweerder een ontheffing als bedoeld in artikel 10.63, tweede lid, van de Wet milieubeheer verleend voor het verbranden van snoeihout in het buitengebied van de gemeente Schijndel voor de periode 18 november 2006 tot en met 25 november 2006.

Uitspraak

200608054/2.

Datum uitspraak: 21 november 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

1.    [verzoeker sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [verzoeker sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Schijndel,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2006 heeft verweerder een ontheffing als bedoeld in artikel 10.63, tweede lid, van de Wet milieubeheer verleend voor het verbranden van snoeihout in het buitengebied van de gemeente Schijndel voor de periode 18 november 2006 tot en met 25 november 2006.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij brieven van 3 november 2006, bij de Raad van State ingekomen op 6 november 2006, beroep ingesteld.

Bij brieven van 2 november 2006, bij de Raad van State ingekomen op 6 november 2006, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 15 november 2006, waar verweerder, vertegenwoordigd door A.P.W.M. Jans, ambtenaar van de gemeente, is verschenen. Verzoekers zijn niet ter zitting verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Verzoeker sub 2 is voor het door hem ingediende verzoek € 141,00 aan griffierecht verschuldigd. Een verzoek wordt ingevolge artikel 8:41, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 8:82, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet-ontvankelijk verklaard indien storting of bijschrijving van het griffierecht niet heeft plaatsgevonden binnen twee weken na de dag van verzending van de mededeling waarin de indiener van een verzoekschrift is gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. De termijn kan met toepassing van artikel 8:82, tweede lid, laatste volzin, van de Awb worden verkort.

   Verzoeker sub 2 is bij aangetekende brief van 7 november 2006 op de verschuldigdheid van het griffierecht gewezen. Daarbij is meegedeeld dat het verschuldigde griffierecht uiterlijk 15 november 2006 op de rekening van de Raad van State dient te zijn bijgeschreven of contant op het adres van de Raad van State dient te zijn betaald. Tevens is vermeld dat, indien van deze gelegenheid geen gebruik wordt gemaakt, er rekening mee moet worden gehouden dat het verzoek niet-ontvankelijk wordt verklaard.

   Het bedrag is niet binnen de aldus gestelde termijn op de rekening van de Raad van State bijgeschreven of contant op het adres van de Raad van State betaald. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden, op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat verzoeker in verzuim is geweest.

   Het verzoek van verzoeker sub 2 is derhalve niet-ontvankelijk.

2.3.    Ingevolge artikel 10.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer is het verboden zich van afvalstoffen te ontdoen door deze - al dan niet in verpakking - buiten een inrichting te storten, anderszins op of in de bodem te brengen of te verbranden.

   Ingevolge artikel 10.63, tweede lid, van de Wet milieubeheer kunnen burgemeester en wethouders, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, ontheffing verlenen van het in artikel 10.2, eerste lid, gestelde verbod.

2.4.    Verzoeker sub 1 voert aan dat er een onnodige verslechtering van de luchtkwaliteit optreedt door de verbranding van het snoeihout. Hij voert aan dat pas gesnoeid hout van binnen nog nat is en moeilijk brandbaar waardoor hij vreest dat sneller hulpmiddelen als olie of benzine gebruikt zullen worden. Er bestaan volgens hem minder belastende alternatieven om het snoeihout te verwerken, zoals het brengen naar de gemeentelijke milieustraat of het laten liggen in de natuur ten behoeve van de dieren.

2.4.1.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat in Schijndel geen overschrijdingen van de grenswaarden voor luchtkwaliteit voorkomen en dat de snoeihoutverbranding hier, gelet op de relatief korte tijdsduur van de verbranding, ook geen verandering in zal brengen. Hij voert daarnaast aan dat met onderhavige ontheffing tegemoet wordt gekomen aan de burger door hem gedurende een beperkte periode toe te staan het snoeihout te verbranden dat vanwege het piekmoment in de snoei-activiteiten is verkregen.

2.4.2.    De Voorzitter overweegt dat het in het buitengebied verbranden van snoeihout aangemerkt dient te worden als het ontdoen van afvalstoffen door deze buiten een inrichting te verbranden. Artikel 10.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer verbiedt dit. Ontheffing van het in artikel 10.2, eerste lid, gestelde verbod kan slechts dan worden verleend indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet.

   Ingevolge voorschrift 5 van de ontheffing is het verboden het vuur aan te maken met (oude) autobanden, benzine, (landbouw)diesel, (stook)olie of soortgelijke brandbare stoffen. Het vuur mag uitsluitend worden aangemaakt met onbehandeld droog hout, stro of kranten. Op grond van de voorschriften 7 en 8 moet worden voorkomen dat door rookvorming hinder of gevaar voor het verkeer op openbare wegen ontstaat en dat overlast bij woningen van derden ontstaat. Tevens mag er volgens de voorschriften 10 en 11 slechts vuur worden aangestookt bij ten hoogste windkracht 4 op de schaal van Beaufort en is het verbranden verboden indien een waarschuwingsfase in verband met een verhoogde luchtverontreiniging van kracht is.

   De Voorzitter overweegt dat aannemelijk is dat de ontheffing voor het verbranden van snoeihout niet zal leiden tot overschrijding van de ingevolge het Besluit luchtkwaliteit 2005 geldende grenswaarden. In zoverre bestond voor verweerder geen reden om de ontheffing niet te verlenen. Verder heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er voldoende voorschriften aan de ontheffing zijn verbonden en dat mede gelet daarop het belang van de bescherming van het milieu zich niet verzet tegen het verlenen van de ontheffing. Dat, zoals verzoeker sub 1 stelt, snoeihout ook op een andere manier kan worden verwerkt maakt dat niet anders.

2.4.3.    Gelet hierop ziet de Voorzitter aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening van verzoeker sub 1 af te wijzen.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het verzoek van verzoeker sub 2 niet-ontvankelijk;

II.    wijst het verzoek van verzoeker sub 1 af.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd    w.g. Van der Zijpp

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 november 2006

262-495.

Geen jurisprudentie samenvattingen beschikbaar.

Geen regelgeving beschikbaar.

Geen naslag beschikbaar.

ECLIECLI:NL:RVS:2006:AZ3195
InstantieRaad van State
Datum uitspraak21 November 2006
Datum publicatie 5 April 2013
Zaaknummer200608054/2
Rechtsgebied(en)Bestuursrecht
Soort procedureVoorlopige voorziening
VindplaatsenRechtspraak.nl, Omgevingsvergunning in de praktijk 2006/4479, JAF 2006/103 met annotatie van Van der Meijden