Menu

Zoek op
rubriek
Omgevingsweb

Beantwoording Kamervragen over bevorderen circulair bouwen

Minister Knops beantwoordt vragen over de maatregelen voor het bevorderen van circulair bouwen.

Knops, Raymond
16 januari 2020

De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken heeft een aantal vragen voorgelegd aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de brief van zijn ambtsvoorganger van 8 oktober 2019 inzake de Maatregelen voor het bevorderen van circulair bouwen (32852, nr. 94).

Ik heb de vragen op een zodanige wijze geclusterd dat dit een in de volgorde samenhangende beantwoording mogelijk maakt en de leesbaarheid wordt vergroot.

Vragen 1, 2, 3, 5, 6 en 42

1 Wat is de exacte en meetbare definitie van ‘circulair’ bouwen?

2 Kunt u voorbeelden noemen van circulaire maatregelen?

3 Kunt u de relatie uitleggen tussen ‘circulair bouwen’ en het eventueel per 2021 strenger stellen van milieuprestatie-eisen?

5 Hoe wordt de minimum milieuprestatie-eis zoals opgenomen in de bouwregelgeving tot uitdrukking gebracht?

6 Welke indicatoren worden meegenomen in het bepalen van het basisniveau van een minimum milieuprestatie-eis?

42 Hoe worden biobased materialen en hun milieu-impact meegenomen en gewogen in de MPG?

Antwoord 1

Circulair bouwen is een middel om te komen tot een zo laag mogelijke milieubelasting van materiaalgebruik in bouwwerken. Dat betreft alle bouw: zowel burger- en utiliteitsbouw als grond-, weg- en waterbouw.

Voor de berekening van deze milieubelasting is een exacte en meetbare definitie beschikbaar. Deze is uitgewerkt in de zogeheten ‘Bepalingsmethode Milieuprestatie van Gebouwen en GWW-werken’. Deze bepalingsmethode is gebaseerd op Europese normen, zoals de EN15804. In deze methode worden de milieueffecten over de levensduur van het materiaal of product berekend op basis van een levenscyclusanalyse. Dit betekent dat milieueffecten worden berekend voor alle fasen in het leven van een bouwmateriaal of -product: de winning van grondstoffen, de fabricage van de bouwmaterialen en -producten, het bouwen zelf, onderhoud tijdens het gebruik van het bouwwerk en de uiteindelijke sloop. Ook de milieueffecten van transport in deze keten worden meegerekend.

Deze bepalingsmethode is aangewezen in de bouwregelgeving voor de berekening van de wettelijke milieuprestatie-eis voor gebouwen.

Antwoord 6

De bepalingsmethode beziet de indicatoren voor de uitputting van abiotische grondstoffen, de uitputting van fossiele energiedragers, klimaatverandering, aantasting ozonlaag, fotochemische oxidantvorming (chemische smog), verzuring, vermesting, humaan-toxicologische effecten, ecotoxicologische effecten (zoetwater), ecotoxicologische effecten (zeewater) en ecotoxicologische effecten (terrestrisch).

Antwoord 5

De eis aan de milieuprestatie wordt gesteld in een 1-puntscore. Deze 1-puntscore volgt uit een weging van de scores van de indicatoren (zie hierboven) over de hele levensduur van het bouwwerk en is teruggerekend naar de milieuprestatie per jaar per m2 bruto vloeroppervlakte. De huidige grenswaarde (van 1) heeft betrekking op alle nieuwbouw van woningen en kantoorgebouwen vanaf een bruto vloeroppervlakte van 100 m2. De grenswaarde heeft geen betrekking op (bouwwerken in) de grond-, weg- en waterbouw. In de GWW wordt gebruik gemaakt van de Milieukostenindicator (MKI). De bepaling van de MKI op gebeurt op dezelfde wijze als de MPG met dezelfde indicatoren en dezelfde weging van de scores. De ‘grenswaarde’ wordt per afzonderlijk project bepaald.

Antwoord 2

Voorbeelden van circulaire maatregelen zijn de inzet van hernieuwbare materialen, zoals hout, vlas, riet, enzovoorts. Er moet dan wel sprake zijn van duurzame teelt. Daarnaast zijn recycling en hergebruik vormen van circulaire maatregelen. Voorbeelden zijn recycling van asfalt, beton, staal en (soms) plastics. Door toepassing van hernieuwbare materialen en door hergebruik van materialen wordt minder CO2 uitgestoten, worden minder primaire grondstoffen gebruikt en komt er minder afval vrij. Daarmee neemt de milieudruk van de bouw af.

Antwoord 3

Een strengere milieuprestatie-eis dwingt partijen om met minder milieubelasting te bouwen. Dat kan met circulaire maatregelen. Omdat de milieuprestatie-eis is gesteld als een generieke prestatie-eis zijn de opdrachtgever, de ontwerper en de bouwer vrij om te kiezen welke concrete maatregelen zij treffen. Door het scherper stellen van de milieuprestatie-eis wordt bevorderd dat circulaire maatregelen worden genomen, zoals het toepassen van gerecyclede en biobased materialen.

Antwoord 42

De bepaling van de milieueffecten van biobased materialen wordt op een gelijke wijze gedaan als van andere bouwmaterialen. Dat betekent dat de effecten als herwinbaarheid, verminderde uitputting van primaire grondstoffen en emissies van bijvoorbeeld CO2 in de bepalingswijze zijn verdisconteerd. Dat uit zich dan in betere milieuprestatiescores voor indicatoren als uitputting grondstoffen, verzuring en klimaatverandering.

Vraag 4

Wordt er BTW geheven op ‘circulaire materialen’ die twee keer gebruikt worden voor de bouw?

Antwoord

Indien het materiaal wordt hergebruikt door de eigenaar van het materiaal geldt er vanzelfsprekend geen BTW-verplichting. Wanneer het materiaal van eigenaar wisselt door verkoop geldt wel een BTW-verplichting (het in omloop brengen van een materiaal of product in de economie).

Vragen 7 en 8

7 Wie ziet toe op de naleving van het eventueel per 2021 strenger stellen van milieuprestatie-eisen?

8 Is het eventueel per 2021 strenger stellen van milieuprestatie-eisen te handhaven?

Antwoord 7

De wet kwaliteitsborging voor het bouwen is beoogd in werking te treden per 1 januari 2021. Vanaf die datum zal een erkende kwaliteitsborger controleren of de woning voldoet aan de bouwtechnische voorschriften in de bouwregelgeving. Deze kwaliteitsborger controleert tijdens de bouw, maar ook als het gebouw gereed is gekomen of de werkelijk getroffen maatregelen aan milieuprestatie-eisen voldoen. Op basis van de goedkeurende verklaring van de kwaliteitsborger mag de gemeente er op vertrouwen dat het bouwwerk aan de bouwvoorschriften voldoet.

Antwoord 8

De gemeente kan handhavend optreden daar waar nodig, bijvoorbeeld op basis van signalen van de kwaliteitsborger of derden, maar zij kan ook zelf waarnemen, beoordelen en interveniëren.

Vragen 9 en 10

9 Wat zijn de kosten van het eventueel per 2021 strenger stellen van milieuprestatie-eisen?

10 Wat betekent het eventueel per 2021 strenger stellen van milieuprestatie-eisen voor financiële haalbaarheid van bouwprojecten?

Antwoord 9

Minister Ollongren heeft onderzoek laten uitvoeren naar de kosten voor bedrijven en andere overheden van het strenger stellen van de milieuprestatie-eisen.

Sira Consulting, Effectmeting scherpere milieuprestatie-eis, Bilthoven, december 2019.

In het onderzoek wordt geconcludeerd dat het belangrijkste effect voor bedrijven is dat zij vroeger in het ontwerpproces aandacht zullen gaan besteden aan de milieuprestatie van de bouwwerken. De kosten hiervan zijn berekend op maximaal € 0,1 miljoen per jaar. Het strenger stellen van de milieuprestatie-eis zal geen gevolgen hebben voor de bouwkosten: om de voorgenomen milieuprestatie-eis te realiseren zijn voldoende materialen en producten beschikbaar zonder meerkosten. Daarnaast hebben bedrijven eenmalige kosten om kennis te nemen van de nieuwe eisen. Deze eenmalige kosten voor de bouwsector zijn berekend op € 1,2 miljoen. Voor gemeenten zijn alleen eenmalige bestuurlijke lasten berekend voor het kennisnemen van de nieuwe eis. Deze zijn berekend op € 0,03 miljoen.

Antwoord 10

De aanscherping zal gezien het voorgaande geen gevolgen hebben voor de financiële haalbaarheid van bouwprojecten.

Vragen 11 en 12

11 Hoe wordt het eventueel per 2021 strenger stellen van milieuprestatie-eisen in relatie gezien met eisen die er al liggen wat betreft CO2-besparing?

12 Leidt het eventueel per 2021 strenger stellen van milieuprestatie-eisen niet tot een stapeling van opgaven?

Antwoord 11

Het strenger stellen van de milieuprestatie per 2021 heeft tot doel een integrale verlaging van de milieudruk van gebouwen. De milieuprestatie wordt berekend op een reeks van indicatoren zoals uitputting van abiotische grondstoffen, uitputting van fossiele energiedragers, klimaatverandering, aantasting ozonlaag, fotochemische oxidantvorming (chemische smog), verzuring, vermesting, en toxicologische effecten (zie antwoord op vraag 6). Dit leidt tevens tot CO2-besparing.

Antwoord 12

Het strenger stellen van de milieuprestatie-eis is in mijn ogen geen stapeling van opgaven.

Vragen 13, 14, 15, 16 en 18

13 Is er met betrekking tot het voornemen om per 2021 de eisen voor milieuprestaties strenger te stellen overlegd met betrokken organisaties zoals VEH, IVBN, Vastgoed Belang, AEDES, Bouwend Nederland, de Neprom en NVB?

14 Wat zijn de gevolgen voor de bouwsector van het eventueel per 2021 strenger stellen van milieuprestatie-eisen?

15 Is het mogelijk om het eventueel strenger stellen van milieuprestatie-eisen (voorlopig) niet te doen? Zo nee, waarom niet?

16 Wat zijn de gevolgen voor de nieuwbouwproductie van het eventueel per 2021 strenger stellen van milieuprestatie-eisen?

18 Wordt de MKB-toets uitgevoerd in het proces van het eventueel per 2021 strenger stellen van milieuprestatie-eisen?

Antwoord 13

Het voorstel om te komen tot strengere eisen voor de milieuprestatie is uitgebreid voorbereid met partijen in de bouw. In januari 2019 heeft BZK een verkennende discussie georganiseerd met partijen uit de bouw over de ambitie om te komen tot een halvering van de milieuprestatie uiterlijk in 2030. In de periode maart tot en met juli 2019 is onderzoek uitgevoerd naar het kwaliteitsniveau van de milieuprestatie bij nieuwbouw van woningen en woon- en kantoorgebouwen anno 2020, gebaseerd op de BENG-referentiegebouwen en met de verwachte BENG-eisen. Dat onderzoek werd begeleid door een klankbordgroep waarin een doorsnede uit de hele bouwketen was vertegenwoordigd. Het Overleg Platform Bouwregelgeving heeft de minister inmiddels geadviseerd om deze aanscherping in te voeren. De betreffende aanscherping van de milieuprestatie is onderdeel van het wijzigingsvoorstel van het Besluit bouwen en leefomgeving dat de komende maanden in internetconsultatie gaat en eind maart 2020 bij uw Kamer wordt voorgehangen.

Antwoord 14

De gevolgen voor de bouwsector heb ik hiervoor al beschreven bij mijn antwoorden op de vragen 9 en 10.

Antwoord 15

Ik ben van mening dat uitstel van de aanscherping niet wenselijk is. Het kabinet heeft zich gecommitteerd aan ambitieuze klimaat- en milieudoelstellingen: 49% CO2-reductie en 50% minder gebruik van primaire grondstoffen (mineraal, fossiel en metalen).

Klimaatakkoord, https://www.klimaatakkoord.nl/

Kamerstukken II 2015/16, 32852, nr. 33.

De aanscherping van de milieuprestatie levert een bijdrage aan beide doelstellingen. In het licht van beide doelstellingen is de stap naar een eis van 0,8 voor nieuwe woningen een eerste stap op een ambitieus pad. Een meerderheid van de partijen in de bouwsector heeft aangegeven dat zij de ambitie steunt, mits bij elke aanscherping in overleg met hen wordt getoetst dat de maatregel doeltreffend en doelmatig is. Gezien de hoogte van de kabinetsdoelstellingen, de steun van de bouwsector voor de maatregel en de marginale gevolgen voor de bouwsector zie ik daarom geen reden om deze stap uit te stellen.

Antwoord 16

Op basis van de uitgevoerde onderzoeken die ik eerder in mijn antwoorden al heb genoemd en de steun van de meerderheid van de belanghebbende partijen in de bouw concludeer ik dat de aanscherping van de milieuprestatie geen gevolgen zal hebben voor de nieuwbouwproductie.

Antwoord 18

Ik heb een MKB-toets uit laten voeren voor deze maatregel. Ook uit de MKB-toets kwamen geen bezwaren naar voren die grond zijn voor aanpassing of uitstel van de maatregel. In het wijzigingsvoorstel van het Besluit bouwen en leefomgeving dat de komende maanden in internetconsultatie gaat en eind maart 2020 bij uw Kamer wordt voorgehangen, is een nadere toelichting opgenomen over de uitkomsten van de MKB-toets.

Vraag 17

Kan het eventueel per 2021 strenger stellen van milieuprestatie-eisen leiden tot een soortgelijke crisis voor de bouwsector als de Pfas-crisis?

Antwoord 17

Nee, zie onder meer de antwoorden hiervoor over de gevolgen van de aanscherping per 2021 op de bouwsector (vragen 9, 10, 14 en 16).

Vraag 19

In hoeverre zijn gemeentes en andere bevoegde gezagen op de hoogte van de MPG en wordt deze door hen actief gebruikt en getoetst?

Antwoord 19

Gemeenten zijn bekend met de MPG en toetsen bouwwerken conform de bouwregelgeving. Er is een groeiende groep gemeentelijke koplopers die de MPG actief gebruiken. Dat doen zij bijvoorbeeld door ontwikkelaars en bouwers te stimuleren om met scherpere prestaties te bouwen en een bredere reikwijdte van de toepassing van de milieuprestatie bij aanbestedingen te verkennen. Met ingang van 1 januari 2021 treedt de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen in werking. Vanaf die datum zal een erkende kwaliteitsborger controleren of de woning voldoet aan de bouwtechnische voorschriften in de bouwregelgeving. In mijn antwoord op vraag 7 ga ik hier uitgebreider op in.

Met ingang van 1 januari 2021 treedt de Omgevingswet in werking. Dan mogen gemeenten in een Omgevingsplan een scherpere milieuprestatie-eis stellen.

Vraag 20

Valt onder de uitbreiding van het toepassingsgebied van de milieuprestatie-eis ook bouwproductie kleiner dan 100m²?

Antwoord 20

In principe kan bouwproductie kleiner dan 100m2 ook onder de uitbreiding van het toepassingsgebied van de milieuprestatie-eis vallen, mits ik dat zo aanwijs. Een dergelijke uitbreiding van het toepassingsgebied maakt geen onderdeel uit van het wijzigingsvoorstel van het Besluit bouwen en leefomgeving dat de komende maanden in internetconsultatie gaat en eind maart 2020 bij uw Kamer wordt voorgehangen.

Vraag 21

Geldt de milieuprestatie-eis ook voor grootschalige renovatie aan woningen en kantoren?

Antwoord 21

De huidige milieuprestatie-eis geldt niet voor (grootschalige) renovatie aan woningen en kantoren. Er wordt onderzoek uitgevoerd naar de mogelijkheden en consequenties van de uitbreiding van het toepassingsgebied naar renovatie en transformatie. Ik zal uw Kamer hierover in de eerste helft van 2020 nader informeren.

Vragen 22 en 23

22 Hoeveel kleine innovatieve startende bouwbedrijven zijn op dit moment actief op het terrein van circulair bouwen?

23 Welke mogelijkheden zijn er voor kleine bedrijven om wel deel te nemen aan het proces van circulair bouwen?

Antwoord 22

Ik heb geen overzicht van het aantal kleine innovatieve startende bouwbedrijven dat op dit moment actief is op het terrein van circulair bouwen. Er is wel een overzicht van voorbeeldprojecten en praktijkverhalen van zowel grote als kleine bedrijven die bezig zijn met circulair bouwen. Dit is onder meer te vinden op www.circulairebouweconomie.nl en op www.RVO.nl. Uit deze voorbeeldprojecten zie ik dat zowel grote als kleine bedrijven aan de slag zijn en deelnemen aan het proces van circulaire bouw.

Antwoord 23

Op basis van het beeld dat ik krijg uit de voorbeeldprojecten is mijn indruk dat er voldoende mogelijkheden zijn voor kleine bedrijven om deel te nemen aan het proces van circulair bouwen. Voor startende bedrijven bestaat bovendien de regeling Borgstelling Mkb-kredieten (Bmkb): met dit borgstellingskrediet staat het Rijk voor een deel garant voor bedrijven die een lening willen afsluiten, maar de financier niet genoeg zekerheid kunnen bieden.

Vragen 24, 25 en 29

24 Op welke manier is onderzocht hoe kleine innovatieve startende bouwbedrijven kunnen deelnemen aan waarborg- en garantiestellingen zoals Woningborg en Bouwgarant?

25 Wat zijn de eisen om deel te nemen aan waarborg- en garantiestellingen zoals Woningborg en Bouwgarant?

29 Kunt u in beeld brengen wat de gevolgen zijn voor de ontoegankelijkheid van waarborgen als Bouwgarant en Woningborg voor innovatieve startende bedrijven op het gebied van circulaire bouw?

Antwoord 24, 25 en 29

Ik heb in het Algemeen Overleg Energieprestatie op 12 december jongstleden aangegeven dat ik de toegankelijkheid van waarborgen voor innovatieve startende bedrijven op het gebied van circulair bouwen aan de orde zal stellen in mijn reguliere gesprekken met de waarborginstellingen. In het kader van die gesprekken zal ik ook een overzicht laten opstellen van de eisen waaraan moet worden voldaan, of er naar aanleiding van die eisen mogelijk sprake is van ontoegankelijkheid en de eventuele gevolgen daarvan. In het overleg heb ik toegezegd dat ik uw Kamer hierover medio 2020 nader zal informeren.

Vragen 26, 27 en 28

26 Kunnen installaties om een goede energieprestatie te halen leiden tot een hogere (slechtere) MPG-score?

27 Hoe kunnen bedrijven de gevolgen van een aangescherpte MPG en de samenhang tussen BENG en MPG berekenen voor hun ontwerpen?

28 Vindt u het ook van belang dat bedrijven éérst kunnen rekenen met de nieuwe MPG en BENG-eisen en hun ontwerpen waar nodig kunnen aanpassen, voordat de wet gewijzigd wordt?

Antwoord 26

De constructies en gebouwinstallaties die in een gebouw zijn aangebracht om aan de voorschriften te kunnen voldoen, worden bij de berekening van de milieuprestatie in beschouwing genomen. Zo ook de constructies en gebouwinstallaties om een betere energieprestatie te halen. Dit heeft gevolgen voor de milieuprestatie van het bouwwerk. Bij het onderzoek naar het mogelijke niveau van de strengere milieuprestatie-eis in 2021 zijn de uitgangspunten en het verwachte niveau van BENG als basis voor de berekeningen genomen. De conclusies voor de BENG–eisen zijn daarmee al verwerkt en zullen dus in 2021 niet leiden tot een extra druk op de milieuprestatie.

Antwoord 27

Voor de berekening van de MPG en van de BENG-eisen worden verschillende rekeninstrumenten op de markt aangeboden door commerciële partijen. Zij leggen daarbij ook de relatie tussen MPG en BENG. Ik zie het als verantwoordelijkheid van de markt hoe die instrumenten de gevolgen van MPG en BENG in samenhang kunnen berekenen en ik zie overigens dat de marktpartijen deze verantwoordelijkheid ook nemen.

Antwoord 28

Ik vind het van belang dat bedrijven de energieprestatie en de milieuprestatie in samenhang bezien zodat zij in het gebouwontwerp samenhangende maatregelen kunnen opnemen. Op 24 december 2019 is de wijziging van het Bouwbesluit 2012 met daarin de definitieve BENG-eisen (Bijna Energie Neutrale Gebouwen) en de bijbehorende bepalingsmethode voor de energieprestatie van gebouwen, de NTA 8800 in het Staatsblad gepubliceerd.

Stb. 2019, nr. 501.

De nieuwe MPG is onderdeel van een wijziging van het Besluit bouwen en leefomgeving die eind maart 2020 bij uw Kamer wordt voorgehangen. Ik heb u al eerder geantwoord dat ik voor de nieuwe milieuprestatie-eis uitgebreid met belanghebbende partijen heb overlegd. Dat geldt evenzeer voor de nieuwe BENG-eisen. Met dit proces geef ik bedrijven naar mijn mening voldoende gelegenheid om zich goed voor te bereiden op de nieuwe eisen.

Vraag 30

Welke bijdrage kunt u leveren aan het bewerkstelligen van een cultuuromslag in de bouwsector, om zo innovatieve concepten als houtbouw, prefab en modulair bouwen te stimuleren?

Antwoord 30

Ik lever zowel via de MPG, de voorbeeldrol van het Rijk, het Programma Aardgasvrije Wijken als via het Uitvoeringsprogramma Circulaire Economie een bijdrage aan het creëren van een markt voor circulair bouwen. De ambitie is dat alle opdrachten van het Rijksvastgoedbedrijf, Rijkswaterstaat en ProRail vanaf 2030 circulair zijn. Hiermee komt de markt in beweging. De kern van de voorbeeldrol van het rijk en de maatregelen in de bouwregelgeving is een uniforme bepalingsmethode en een eis die stapsgewijs wordt aangescherpt. Door deze benadering hebben aanbieders van innovatieve concepten de zekerheid van vraag over de komende jaren. Daarnaast hebben aanbieders van innovatieve concepten de zekerheid van een uniforme methode waarmee innovatieve concepten onderling en met gangbare technieken kunnen worden vergeleken. Daarnaast neem ik maatregelen voor circulair bouwen zo veel mogelijk mee in de bouwopgave en in maatregelen voor klimaatbeleid. In de lopende uitvraag voor proeftuinen aardgasvrije wijken

Bijlage bij Kamerstuk, 32847, nr. 580.

bijvoorbeeld is in de selectievoorwaarden ook aandacht voor circulair bouwen opgenomen. In het Uitvoeringsprogramma Circulaire Economie

Bijlage bij Kamerstuk 32852, nr. 76.

is bij de prioriteit Bouw (woningen, utiliteitsbouw en infrastructuur) kennisontwikkeling en kennisoverdracht als belangrijk speerpunt genoemd om een cultuuromslag te bereiken. Dat gebeurt onder meer via het delen van goede voorbeelden via de website www.circulairebouweconomie.nl en ook actief op bijeenkomsten en in workshops. In het Platform Circulair Bouwen 2023

https://platformcb23.nl/

komen markt- en overheidspartijen bij elkaar om te komen tot bouw-brede afspraken die moeten leiden tot een omslag naar circulair werken en samenwerken.

Vraag 31

Wat is de huidige stand van zaken van de invoering van het materialenpaspoort?

Antwoord 31

Uiterlijk in 2020 zal het kabinet besluiten of en zo ja, in welke situaties een wettelijke verplichting voor het materialenpaspoort wordt ingevoerd. Dit doe ik onder andere aan de hand van input van betrokken partijen bij het Platform Circulair Bouwen 2023, aan de hand van onderzoek door RVO (Rijksdienst voor ondernemend Nederland) en aan de hand van advies van het Transitieteam circulaire bouweconomie

In 2018 is een Transitieteam CBE ingericht dat bestaat uit vertegenwoordigers van overheden en de bouw en GWW-sector, www.circulairebouweconomie.nl/contact/

. Daarnaast gebruik ik de uitkomsten van de praktijktests die op dit moment lopen, ook bij de rijksoverheid. Ik zal de Tweede Kamer uiteraard informeren over het besluit van het kabinet.

Vraag 32

Kunt u uiteenzetten welke stappen de bouwsector maakt in het kader van de afspraken uit het Klimaatakkoord?

Antwoord 32

Over de maatregelen voortkomend uit het Klimaatakkoord gericht op kostenreductie en innovatie in de bouw heb ik uw Kamer voor het Kerstreces een brief gestuurd

https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2019/12/17/kamerbrief-kostenreductie-en-innovatie-in-de-bouw )

. Kortheidshalve verwijs ik naar deze brief, waarin wordt ingegaan op de verschillende maatregelen die samen met de sector worden uitgevoerd.

Vraag 33

Welke aanvullende eisen kunt u stellen aan het sloopproces van gebouwen, zodat hergebruik van materialen meer centraal komt te staan?

Antwoord 33

De bouwregelgeving eist dat sloopwerkzaamheden aan bouwwerken zo worden uitgevoerd dat tijdens de uitvoering vrijkomend sloopafval deugdelijk wordt gescheiden.

Bouwbesluit 2012.

Deze algemene bepaling is zo uitgewerkt dat ten minste de volgende fracties van het sloopafval worden gescheiden: gevaarlijke stoffen, teerhoudende dakbedekking (al dan niet met het dakbeschot), teerhoudend asfalt, bitumineuze dakbedekking (al dan niet met dakbeschot), niet-teerhoudend asfalt, vlakglas (al dan niet met kozijn), gipsblokken en gipsplaatmateriaal, dakgrind, armaturen en gasontladingslampen. Deze fracties worden in principe op het terrein gescheiden gehouden en gescheiden afgevoerd.

Regeling Bouwbesluit.

Momenteel wordt onderzocht of deze lijst van verplicht te scheiden fracties moet worden uitgebreid, mede in het kader van hergebruik van materialen. In het kader van het Rijksbrede Programma Circulaire Economie bekijk ik in overleg met mijn collega van Milieu en Wonen of deze lijst van verplicht te scheiden fracties moet worden uitgebreid.

Vraag 34

Wat is de huidige stand van zaken omtrent de ambitie uit het uitvoeringsprogramma CE om Rijkswaterstaat en het Rijksvastgoedbedrijf een voorbeeldfunctie te laten vervullen als het aankomt op circulaire bouw?

Antwoord 34

Het Rijksvastgoedbedrijf (RVB), Rijkswaterstaat (RWS) en ProRail zijn grote opdrachtgevers en beheerders van vastgoed en infrastructuur. Met circulair beheer en aanbesteden kunnen zij een voorbeeldrol vervullen richting andere vastgoedeigenaren en opdrachtgevers. Dat geeft een positieve impuls aan de markt. Het Rijksvastgoedbedrijf heeft de “Koers Circulair” ontwikkeld. De koers geeft aan dat het Rijksvastgoedbedrijf in stappen steeds meer circulair gaat werken.

Het RVB maakt het stationsgebied in Arnhem toekomstbestendig. Het gaat zowel om een duurzame ontwikkeling van de lokale rijkskantoren als het inzetten op circulair beheer. Niet de gebouwen zelf, maar de gebruikswaarde en belevingswaarde krijgen daarbij de nadruk, net zoals het partnerschap tussen markt en overheid met voldoende ruimte voor innovatie. Zo is er bijvoorbeeld extra aandacht voor een duurzame en gezonde bedrijfsvoering met thema’s als energieneutraliteit, circulariteit en gezondheid. Via een gunningscriterium op materiaalgebruik en procesinrichting wordt bovendien gestuurd op een zo laag mogelijke CO2-uitstoot en milieubelasting; hoe lager de milieubelasting, hoe groter het gunningsvoordeel.

Het ministerie van IenW werkt met Rijkswaterstaat en ProRail gezamenlijk aan een strategie om tot een klimaatneutrale en circulaire infrastructuur te komen. Rijkswaterstaat wil dit samen met de Grond-, Weg- en Waterbouwsector voor Aanleg en Onderhoud realiseren. Met meerdere activiteiten richt Rijkswaterstaat zich met de sector op het opschalen en versnellen van hergebruik van materialen en het toepassen van duurzame materialen en productieprocessen. Daarnaast treedt Rijkswaterstaat op als launching customer voor duurzame innovaties zoals het circulair viaduct en de verduurzaming van asfalt en beton. Hierbij wordt ingezet op het reduceren van CO2-uitstoot.

Vraag 35

In welke mate wegen circulaire en duurzame bouw mee in de aanbestedingen van het Rijksvastgoedbedrijf en Rijkswaterstaat?

Antwoord 35

Een gunningsbeslissing door het Rijksvastgoedbedrijf en Rijkswaterstaat wordt genomen op basis van een geheel van opdrachtspecificaties, geschiktheidseisen, selectiecriteria, uitsluitingsgronden en gunningscriteria.

Kamervragen 2019/20, nr. 1022

Bij al deze criteria en eisen kan duurzaamheid een rol spelen. Eerdere onderzoeken en evaluaties laten zien dat overheden duurzaamheid bijvoorbeeld in hoge mate als eis opnemen in aanbestedingen.

RIVM, Inzet en effect van Maatschappelijk Verantwoord Inkopen door de Nederlandse overheid in 2015-2016, mei 2019; Ecorys, Ex post beleidsevaluatie duurzaam inkopen, november 2013; Kamerstuk 26485 nr. 315 (Voortgangsbrief Maatschappelijk Verantwoord Inkopen, juli 2019).

Het hoofdwatersysteem en (vaar)wegennet van Rijkswaterstaat en de rijkskantorenportefeuille worden uiterlijk in 2030 circulair beheerd.

Rijkswaterstaat past al sinds 2010 de Milieukostenindicator (MKI) toe om de milieubelasting mee te wegen als gunningscriterium en heeft deze toepassing sindsdien verbreed naar steeds meer aanbestedingen, waarbij het gunningcriterium zwaarder is gaan meewegen. Het resultaat hiervan is dat inschrijvingen structureel beter scoren op klimaatneutraliteit en circulariteit. Vanaf 2020 zal bovendien een maximale MKI-waarde per ton asfalt als eis in contracten worden opgenomen. Voor beton is deze eis op basis van maximale MKI-waarden per ton in voorbereiding, het Betonakkoord vormt hiervoor de basis. De toepassing van de MKI bij infra-aanbestedingen is onderdeel van de Green Deal Duurzaam GWW.

Daarnaast heeft RWS vanuit de klimaatenveloppe en de Urgendamiddelen aanvullend budget beschikbaar gesteld gekregen voor het treffen van circulaire maatregelen in de grond-, weg- en waterbouw.

Vraag 36

In hoeverre herkent u signalen dat circulaire of overige innovatieve concepten niet worden goedgekeurd door welstandscommissies?

Antwoord 36

Ik ken op dit moment geen concrete voorbeelden van circulaire of innovatieve concepten die niet worden goedgekeurd door welstandscommissies. Ik heb wel in mijn overleg met partijen uit de bouw het verzoek gekregen om bij de uitwerking van de aanscherping van de milieuprestatie-eis tot 2030 rekening te houden met vormaspecten. Ik heb partijen toegezegd dat ik hierover nader met hen in overleg zal treden.

Vraag 37

Kunt u duiden hoe groot het aandeel van woningen en kantoren is met een oppervlakte van 100m2 of meer ten opzichte van het gehele aanbod woningen en kantoren?

Antwoord 37

Het aandeel van nieuwe woningen en nieuwe kantoren op de totale voorraad is beperkt: minder dan 1%. Voor de milieuprestatie van gebouwen is dit echter toch relevant. Nieuwbouw en verbouw zijn de enige momenten waarop de milieuprestatie van een gebouw kan worden beïnvloed. Zo lang een gebouw in gebruik is, blijft de milieuprestatie gelijk en is die ook niet te beïnvloeden. Daarom is het ondanks het kleine aandeel van nieuwbouw op de totale voorraad essentieel dat op de momenten van nieuwbouw en verbouw een eis wordt gesteld. Om die reden heb ik in de brief van 8 oktober ook aangekondigd te onderzoeken hoe ik de milieuprestatie-eis ook kan uitbreiden naar andere gebruiksfuncties en naar verbouw.

Kamerstukken II, vergaderjaar 2019/20, 32852, nr. 94

Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan het realiseren van een continue markt voor circulaire producten.

Vragen 38, 39 en 40

38 Kunt u een overzicht geven van de huidige subsidieregelingen en stand van uitputting per regeling die ter beschikking staan van innovatieve en circulaire bouwvormen?

39 In hoeverre maken startende bedrijven in de circulaire bouw momenteel gebruik van regelingen als de WBSO en de MIA/VAMIL?

40 Wat kunt u doen om de toegang tot innovatiegelden voor startende circulaire bedrijven te vergroten?

Antwoord 38

De rijksoverheid ondersteunt de transitie naar een circulaire bouweconomie met subsidiemogelijkheden voor onderzoek en ontwikkeling, praktijk- en demonstratieprojecten en de marktintroductie van innovaties. Daarnaast is budget uit de klimaatmiddelen beschikbaar gesteld voor RWS voor het treffen van circulaire maatregelen in de grond-, weg- en waterbouw (zie ook vraag 35). Op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) is een overzicht opgenomen van subsidieregelingen en andere vormen van financiële ondersteuning voor circulaire economie: https://www.rvo.nl/subsidies-regelingen?query-content=circulaire+economie. Het is op dit moment niet mogelijk een volledig eenduidig antwoord te geven op de stand van de uitputting. Ik zal u hierover in het tweede kwartaal van 2020 nader kunnen informeren.

Antwoord 39

Bij de Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk (WBSO) kunnen startende bedrijven terecht voor de uren die zij steken in onderzoek en research. Het is nu niet mogelijk een antwoord te geven in hoeverre startende bedrijven projecten hebben gemeld die betrekking hebben op circulariteit. Voor zover bekend zijn de investerende partijen die gebruik maken van de Milieu InvesteringsAftrek (MIA) (voluit) geen startende bedrijven. Wel kan het zo zijn dat er startende bedrijven betrokken zijn bij de engineering en bouw van het gemelde project.

Antwoord 40

Er zijn mij geen signalen bekend dat het nodig is om de toegang tot innovatiegelden voor startende circulaire bedrijven te vergroten. Als uw Kamer deze signalen wel heeft, dan ben ik graag bereid nader te onderzoeken wat ik hieraan kan doen.

Vraag 41

Wat kunt u doen om tot een meer centrale database te komen voor gebruikte materialen zodat deze makkelijker door nieuwe gebruikers gevonden kunnen worden?

Antwoord 41

Het stimuleren van digitalisering en gebruik van data in de bouw gebeurt in de Digitaliseringsdeal voor de Gebouwde omgeving

Bijlage bij Kamerstuk 26643, nr. 621

. De digitaliseringsdeal geeft de ambities aan, biedt houvast en werkt aan versnelling van de digitalisering van de gebouwde omgeving. Vervolgens is het de verantwoordelijkheid van de markt om verder te bouwen op de hiermee gecreëerde mogelijkheden. In het verlengde hiervan is het de verantwoordelijkheid van de markt om zelf een database voor gebruikte materialen op te zetten. Ik constateer dat dit in de praktijk ook al gebeurt. Bekende voorbeelden zijn Insert, New Horizon en Madaster, maar dit zijn zeker niet de enige voorbeelden. Veel sloopbedrijven realiseren zich de waarde van hergebruikte materialen en slopen steeds meer circulair en bieden producten uit de sloop voor hergebruik aan op de markt.

Vraag 43

Hoe ziet u de rol van biobased materialen in de circulaire bouw?

Antwoord 43

Ik voer de ingediende moties over hout

Kamerstukken, 30196, nr. 681 en 30196, nr. 686

uit, uiterlijk tweede kwartaal 2020. Ik doe onderzoek naar hoe het gebruik van duurzaam hout in de bouw bevorderd kan worden en breng in kaart wat de bijdrage van grootschalige houtbouw kan zijn bij de woningbouwopgave, en het verminderen van stikstof en CO2-uitstoot. Ik zal hierbij ook de rol van biobased materialen betrekken. Een deel van de ingediende moties is overigens al uitgevoerd: in de lopende uitvraag voor proeftuinen aardgasvrije wijken wordt expliciet gevraagd in het voorstel aan te geven op welke wijze er wordt omgegaan met het hoogwaardig hergebruik van materialen en de inzet van hernieuwbare grondstoffen, zoals het gebruik van duurzaam hout.

Bijlage bij Kamerstuk, 32847, nr. 580

Vraag 44

Hoe geeft u invulling aan de motie Dik-Faber/Van Eijs (35 300 VII, nr. 69) met betrekking tot het stimuleren van prefab bouwen?

Antwoord 44

Ik geef invulling aan de motie via het innovatieprogramma voor de verduurzaming van de gebouwde omgeving en met de Stimuleringsaanpak Flexwonen. Bij flexwonen is ‘prefab’ bouwen een belangrijk aspect omdat flexwoningen vaak gedeeltelijk of geheel in de fabriek (dus prefab) worden gemaakt en daardoor makkelijk verplaatsbaar, stapelbaar, schakelbaar of splitsbaar zijn. Onderdeel van de stimuleringsaanpak is een gebiedsgerichte stimuleringsaanpak. Zo kunnen gemeenten zich aanmelden voor de zogeheten Versnellingskamers Flexwonen. In een versnellingskamer wordt op een gestructureerde wijze toegewerkt naar een haalbaar en gedragen flexwonenconcept, dat bijdraagt aan het oplossen van lokale en/of regionale woningbouwopgaven. De inzet op innovatieve bouwconcepten kan daarbij onderwerp van gesprek zijn. Via het innovatieprogramma voor verduurzaming van de gebouwde omgeving zet ik expliciet in op industrialisatie van het verduurzamings- en bouwproces. Concrete instrumenten zijn de Renovatieversneller en de Startmotor waarmee ik verhuurders, zoals corporaties, stimuleer grootschalig en gestandaardiseerd verduurzamingsmaatregelen toe te passen. Marktpartijen worden uitgedaagd met industriële en geprefabriceerde oplossingen te komen om de grotere schaal te realiseren. Ik heb u op 17 december 2019 een brief gestuurd over innovatie en kostenreductie in de bouw. In deze brief ga ik verder in op het belang van opschaling en industrialisatie.

Artikel delen