Wat wordt bedoeld met artikel 5, onderdeel 6, bijlage II, van het Bor?

Antwoord

Gewijzigd Besluit omgevingsrecht. Beperking aan de reguliere (tijdelijke) omgevingsvergunning (afwijkend gebruik) 21 november 2014 - Claudia Koenen, Wieringa Advocaten | regelgeving Op 1 november 2014 is het gewijzigde Besluit omgevingsrecht in werking getreden. Hiermee zijn de mogelijkheden voor het met een reguliere procedure verlenen van een omgevingsvergunning voor een gebruikswijziging van een bouwwerk en de tijdelijke omgevingsvergunning voor een gebruikswijziging van bouwwerken en gronden verruimd (artikel 4, onderdeel 9 en 11, bijlage II, van het Bor) (zie ook onze eerdere blogs van 3 oktober en 29 september jl.). De wetgever introduceert echter ook een relevante, nieuwe beperking. In deze blog ga ik dieper op deze beperking in.

Toelichting

Wat nieuw is, is dat de bevoegdheid tot het verlenen van voormelde omgevingsvergunningen ontbreekt in geval van een activiteit als bedoeld in onderdeel C en D van het Besluit milieueffectrapportage (artikel 5, lid 6, bijlage II, van het Bor). Inzoomende op de onderdelen C en D in de bijlage bij dit Besluit mer, welke onderdelen zich laat uitsplitsen in 4 kolommen, dan zien we in kolom 1 een waslijst aan activiteiten opgesomd. In kolom 2 staan de gevallen waarop die activiteit betrekking heeft met ook de drempelwaarden waaraan de in kolom 1 benoemde activiteit moet voldoen. In kolom 3 en 4 staan per activiteit de relevante plannen en besluiten opgenomen. Om te bepalen of een activiteit mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, dan dienen in elk geval alle kolommen tezamen worden beschouwd. De bevoegdheid tot het verlenen van voormelde omgevingsvergunningen wordt dus begrensd aan de ‘activiteit'. De vraag is of de wetgever daarmee alleen de omschreven ‘activiteit' in kolom 1 bedoelt, of dat de wetgever heeft willen regelen dat de bevoegdheid pas ontbreekt als een activiteit mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is als bedoeld in het Besluit mer. De Nota van Toelichting op het Bor (Stb. 2014, 333) is op dit punt niet eensluidend. Enerzijds meldt de wetgever dat hij met voormeld artikel 5 in een uitzonderingsbepaling voor mer-plichtige en mer-beoordelingsplichtige activiteiten heeft willen voorzien (p. 52). Hieruit kan worden afgeleid dat de bevoegdheid tot toepassing van artikel 4, onderdeel 9 en 11, bijlage II van het Bor pas ontbreekt als blijkt dat een activiteit mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. Anderzijds stelt de wetgever zich op het standpunt (p. 58) dat de uitgezonderde activiteiten zowel de mer-plichtige als de mer-beoordelingsplichtige activiteiten in kolom 1 van onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit mer zijn. En, dat bij het formuleren van deze uitzonderingsbepaling is geabstraheerd van de vraag of het ook gaat om een aangewezen geval (kolom 2) waarin de mer-plicht of de mer-beoordelingsplicht geldt alsmede om een aangewezen besluit (kolom 4). Uit deze toelichting kan, mede door de woordkeuze ‘abstraheren', juist het tegenovergestelde worden afgeleid, namelijk dat de wetgever alleen maar de in kolom 1 genoemde activiteit relevant acht voor de vraag of de reguliere (tijdelijke) omgevingsvergunning (afwijkend gebruik) kan worden verleend. De overige kolommen lijken er niet toe te doen. Voor de praktijk zal dit ongetwijfeld tot interessante casussen leiden. De meest in het oog springende activiteit in het Besluit mer is die van het ‘stedelijk ontwikkelingsproject'. In kolom 1, onderdeel D 11.2, bijlage bij het Besluit mer is de activiteit omschreven als: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. De aangewezen gevallen met (indicatieve) drempelwaarden in kolom 2 zijn: in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. op een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2°. een aangesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. De activiteit is dus (kolom 1) het aanleggen, wijzigen of uitbreiden van een stedelijk ontwikkelingsproject. De Nota van Toelichting op het Besluit mer (Stb. 2011, 102) vermeldt daarover: "Bij een stedelijk ontwikkelingsproject kan het gaan om bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. (..) Wat ‘stedelijke ontwikkeling' inhoudt kan van regio tot regio verschillen. Wat van belang hierbij is of er per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen zijn.". Van een dergelijk project kan dus al snel sprake zijn. Bij een strikte toepassing van de uitzonderingsbepaling van voormeld artikel 5, kan er voor geen enkel stedelijk ontwikkelingsproject een omgevingsvergunning ex artikel 4, onderdeel 9 en 11, bijlage II van het Bor worden verleend. De vraag is of de wetgever dit heeft beoogd. Een van de redenen om het Bor te wijzigen is juist om de transformatie van leegstaande gebouwen eenvoudiger te maken. Een strikte toepassing van de uitzonderingsbepaling lijkt mij dan niet in lijn met deze bedoeling van de wetgever. Kortom, de reikwijdte van de uitzonderingsbepaling van artikel 5, lid 6, bijlage II, van het Bor en de exacte bedoelingen van de wetgever daarbij, zal zich in de praktijk wel gaan uitkristalliseren. Het laatste woord is (waarschijnlijk) aan de rechter.

Datum: 27 March 2015