Menu

Zoek op
rubriek
Omgevingsweb
0

Zienswijze niet langer vereist voor toegang tot bestuursrechter in omgevingsrechtelijke zaken

Op 14 april 2021 deed de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (“Afdeling”) een uitspraak die voor verschillende projecten consequenties kan hebben. In deze uitspraak is namelijk geoordeeld dat het beroepsrecht van een belanghebbende in omgevingsrechtelijke zaken, waarbij de uitgebreide voorbereidingsprocedure wordt toegepast, niet meer afhankelijk wordt gesteld van het eerder indienen van een zienswijze tegen het ontwerpbesluit. Ook zonder dat een zienswijze is ingediend tegen het ontwerpbesluit, kan thans dus beroep worden ingesteld tegen het besluit.

20 april 2021

Jurisprudentie – Samenvattingen

Als er geen zienswijzen zijn ingediend tegen het ontwerpbesluit en het besluit wordt vervolgens vastgesteld, dan betekent dat nog niet dat het desbetreffende besluit onherroepelijk is geworden. Dat is pas het geval als blijkt dat er geen beroep is ingesteld tegen het besluit.

In deze blog lichten wij de uitspraak en de gevolgen die deze uitspaak met zich brengt nader toe.

Artikel 6:13 Awb vs. het Verdrag van Aarhus

De aanleiding voor deze uitspraak van de Afdeling zijn de prejudiciële vragen die door de rechtbank Limburg in december 2018 aan het Hof van Justitie zijn gesteld. Onder meer zagen de gestelde prejudiciële vragen op de houdbaarheid van artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (“Awb”) in het licht van het Verdrag van Aarhus.

Artikel 6:13 Awb luidt als volgt:

"Geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht, geen bezwaar heeft gemaakt of geen administratief beroep heeft ingesteld."

Het Hof van Justitie oordeelde in reactie op de gestelde prejudiciële vragen in haar Varkens in Nood-arrest van 14 januari 2021 dat het indienen van een zienswijze als voorwaarde voor het kunnen indienen van beroep, zoals thans is bepaald in artikel 6:13 van de Awb, bij “Aarhus-besluiten” in strijd is met het Verdrag van Aarhus.

De (tijdelijke) oplossing van de Afdeling

De Afdeling heeft in haar uitspraak aangegeven dat het arrest van het Hof van Justitie van 14 januari jl. een wetswijziging noodzakelijk maakt. Zolang die wetswijziging er niet is, moet volgens de Afdeling worden voorzien in een voor de praktijk werkbare oplossing. De oplossing die is gekozen, is een zeer ruimhartige uitleg van het Verdrag van Aarhus en houdt in dat in alle gevallen waarin in omgevingsrechtelijke zaken de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure is toegepast, artikel 6:13 van de Awb niet wordt tegengeworpen aan belanghebbenden.

Over welke ‘omgevingsrechtelijke zaken’ gaat het?

Onder omgevingsrechtelijke zaken vallen volgens de Afdeling besluiten op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, Wet milieubeheer, Wet ruimtelijke ordening, Tracéwet, Wet geluidhinder, Wet natuurbescherming, Ontgrondingenwet, Waterwet, Wet bodembescherming, Wet luchtvaart, Mijnbouwwet, Kernenergiewet, Wet inzake de luchtverontreiniging, Wet bescherming Antarctica en andere wetten en regelingen op het gebied van het milieu en de ruimtelijke ordening.

Gevolgen voor de praktijk

Het vorenstaande betekent voor de praktijk dat het beroepsrecht van een belanghebbende in omgevingsrechtelijke zaken niet meer afhankelijk wordt gesteld van het eerder indienen van een zienswijze tegen het ontwerpbesluit.

Dit heeft ook gevolgen voor de zogenoemde onderdelentrechter die tot nu toe werd gebruikt. Ook die wordt in het omgevingsrecht in afwachting van een wetswijziging niet toegepast door de bestuursrechter in zaken waarin je voorheen eerst een zienswijze moest indienen. Dit betekent dat je als belanghebbende in het omgevingsrecht ook beroep mag indienen bij de bestuursrechter tegen onderdelen van het besluit waar je niet eerder een zienswijze over hebt ingediend.

Voor initiatiefnemers kan het hierdoor lastiger worden om na verloop van de termijn voor het indienen van zienswijzen en na vaststelling van het besluit te beoordelen of het verkregen besluit stand zal houden. De Afdeling tekent hierbij echter wel aan dat deze ruimhartige uitleg van het verdrag alleen een rol speelt bij de beoordeling van de ontvankelijkheid, maar niet bij de inhoudelijke toetsing van een besluit.