Menu

Filter op
content
PONT Omgeving

Terstond in werking laten treden omgevingsvergunning onder de Wabo en onder de Omgevingswet

Bij toepassing van de reguliere voorbereidingsprocedure treedt een omgevingsvergunning in werking met ingang van de dag na haar bekendmaking (artikel 6.1, lid 1 Wabo). In artikel 6.1, lid 2, onder b Wabo is geregeld dat als de uitgebreide voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4 Awb) van toepassing is (en in lid 2, onder a zijn nog wat andere situaties aangeduid) de omgevingsvergunning in werking treedt na afloop van de beroepstermijn van 6 weken (en als er binnen die termijn een voorlopige voorziening wordt gevraagd dan treedt de omgevingsvergunning pas in werking na de uitspraak van de voorzieningenrechter: zie artikel 6.1, lid 3 Wabo). Artikel 6.2 Wabo bood voor het bevoegd gezag echter 'een escape' voor gevallen waarin het noodzakelijk is dat de omgevingsvergunning toch terstond in werking moet treden. In gevallen waarin het onverwijld in werking treden van een beschikking naar het oordeel van het bevoegd gezag nodig is, kan het in afwijking van dat artikel bepalen dat zij terstond na haar bekendmaking in werking treedt. Uit de parlementaire geschiedenis bij de Wabo (Kamerstukken II, 2006–2007, 30 844, nr. 3, p. 146) volgt dat het geen betoog behoeft dat van deze mogelijkheid zeer spaarzaam en prudent gebruik moet worden gemaakt.

15 juni 2024

Jurisprudentie – Samenvattingen

De toepassing van artikel 6.2 Wabo was aan de orde in de uitspraak van de voorzieningenrechter van de ABRvS van 5 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2289. Hierna wordt op deze uitspraak ingegaan. Afgesloten wordt met een blik op hoe de inwerkingtreding van omgevingsvergunningen onder de Omgevingswet geregeld is.

Bij besluit van 1 juni 2022 heeft de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat aan ONE-Dyas B.V. (hierna: ONE-Dyas) een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten en in gebruik nemen van een mijnbouwinrichting, genaamd platform N05-A (hierna: het boorplatform). Deze vergunning omvat tevens toestemmingen voor de activiteiten "handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten" en "handelingen met gevolgen voor beschermde natuurgebieden".

De staatssecretaris heeft met toepassing van artikel 6.2 Wabo bepaald dat het besluit van 29 mei 2024 direct in werking treedt. Dat betekent dat ONE-Dyas meteen gebruik mag maken van de omgevingsvergunning en het boorplatform mag oprichten. Uit inlichtingen van One-Dyas blijkt dat het boorplatform naar verwachting op 4 juni 2024 - vandaag - aankomt op de locatie en dat vanaf die datum begonnen wordt met aanleg- en bouwwerkzaamheden, zoals het boren van een put.

DUH en anderen hebben de voorzieningenrechter verzocht om het besluit van 29 mei 2024 te schorsen. Zij willen daarmee voorkomen dat ONE-Dyas aanleg- en bouwwerkzaamheden uitvoert voordat de Afdeling uitspraak heeft gedaan op hun (hoger) beroepen over de besluiten van de staatssecretaris. Zij vrezen onder meer dat de stikstofdepositie als gevolg van scheepsverkeer in de aanlegfase leidt tot significante negatieve effecten voor diverse nabijgelegen Natura 2000-gebieden.

De voorzieningenrechter stelt vast dat als het verzoek van DUH en anderen niet wordt toegewezen, ONE-Dyas zal beginnen met de aanleg- en bouwwerkzaamheden. De voorzieningenrechter begrijpt uit het verzoekschrift van DUH en anderen dat deze werkzaamheden volgens hen tot onomkeerbare gevolgen zouden leiden.

Op het moment dat het verzoek om voorlopige voorziening bij de Afdeling binnenkwam was er geen gelegenheid om partijen tijdig op een zitting te horen. Na afweging van de verschillende belangen ziet de voorzieningenrechter aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. De voorlopige voorziening houdt in dat het besluit van 29 mei 2024 wordt geschorst. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat in de week van 10 juni 2024 een zitting zal worden gehouden, waarbij de voorzieningenrechter zal beoordelen of aanleiding bestaat de getroffen voorlopige voorziening op te heffen of te wijzigen. Dit betekent dat ONE-Dyas niet mag aanvangen met de activiteiten waarop de omgevingsvergunning ziet, in afwachting van de behandeling van de zaak op de zitting van de voorzieningenrechter.

Hoe zit het onder de Omgevingswet?

Artikel 16.79, lid 1 Omgevingswet bepaalt dat een omgevingsvergunning in werking treedt met ingang van de dag na de dag waarop het besluit is bekendgemaakt, of als het besluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 Awb: het besluit overeenkomstig artikel 3.44, lid 1, onder a Awb ter inzage is gelegd.

Artikel 16.79, lid 2 Omgevingswet legt vast dat in afwijking van het eerste lid het bevoegd gezag in de omgevingsvergunning bepaalt dat die in werking treedt met ingang van de dag waarop 4 weken zijn verstreken sinds de dag van bekendmaking of terinzagelegging als naar zijn oordeel: het verrichten van de activiteit die de omgevingsvergunning mogelijk maakt binnen die 4 weken kan leiden tot een wijziging van een bestaande toestand die niet kan worden hersteld, en de regels over het verlenen van de omgevingsvergunning ertoe strekken die bestaande toestand te beschermen.

Artikel 16.79, lid 4 Omgevingswet bepaalt dat als binnen de termijn, bedoeld in het tweede lid, bij de bevoegde rechter een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan, de omgevingsvergunning niet in werking treedt voordat op het verzoek is beslist. Belanghebbenden die door de opschorting rechtstreeks in hun belang worden getroffen, kunnen de voorzieningenrechter verzoeken de opschorting op te heffen of te wijzigen.

In artikel 16.79, lid 1 Omgevingswet is dus vastgelegd dat de hoofdregel wordt dat een omgevingsvergunning in werking treedt met ingang van de dag na de dag van bekendmaking of terinzagelegging. Op grond van artikel 16.79, lid 2 Omgevingswet bepaalt het bevoegd gezag in afwijking van die hoofdregel in de omgevingsvergunning dat het besluit in werking treedt met ingang van de dag waarop 4 weken zijn verstreken sinds de dag van bekendmaking of terinzagelegging. Daarbij zijn twee inhoudelijke criteria gegeven op grond waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of in het voorkomende geval een uitgestelde inwerkingtreding gerechtvaardigd is. Artikel 16.79, lid 2 Omgevingswet heeft weliswaar een imperatieve redactie (het bevoegd gezag 'bepaalt' in de vergunning) maar geeft wel enige beoordelingsruimte om per geval af te wegen of sprake moet zijn van uitgestelde inwerkingtreding. Daarbij wordt opgemerkt dat als de omgevingsvergunning betrekking heeft op meer activiteiten, het feit dat vanwege één van die activiteiten toepassing wordt gegeven aan het tweede lid maakt dat de gehele omgevingsvergunning pas na 4 weken in werking treedt (Kamerstukken II, 2017–2018, 34 986, nr. 3, p. 279).

Enigszins vergelijkbaar met artikel 6.2 Wabo is artikel 16.79, lid 5 Omgevingswet dat aangeeft dat als het eerder in werking treden van een omgevingsvergunning volgens het bevoegd gezag vanwege spoedeisende omstandigheden nodig is, kan het in afwijking van het tweede lid bepalen dat het besluit eerder in werking treedt en het vierde lid niet van toepassing is.

In de parlementaire geschiedenis (Kamerstukken II, 2017–2018, 34 986, nr. 3, p. 280) wordt hieromtrent opgemerkt dat de mogelijkheid blijft bestaan dat als het eerder in werking treden van een omgevingsvergunning volgens het bevoegd gezag vanwege spoedeisende omstandigheden nodig is, het kan bepalen dat het besluit eerder dan binnen 4 weken in werking treedt en dat de regeling over de opschortende werking van een verzoek om voorlopige voorziening niet van toepassing is.

Artikel delen