Menu

Zoek op
rubriek
Omgevingsweb
0

Geen omgevingsvergunning? Let op de reikwijdte van het projectplan!

Artikel 5.10 van de Waterwet voorziet in de mogelijkheid om zonder omgevingsvergunning bepaalde werken en werkzaamheden uit te voeren indien een gebied is begrepen in een vastgesteld projectplan. In eerste aanleg heeft de rechtbank geoordeeld dat uit hoofde van dit artikel geen omgevingsvergunning is vereist voor de aanleg van een inlaatconstructie. In hoger beroep voert een omwonende aan dat een deel van de werkzaamheden plaatsvindt op zijn grond en dat deze grond buiten de reikwijdte van het projectplan valt. De Afdeling van de RvS vernietigt de aangevallen uitspraak voorziet zelf in de behandeling van het beroep. (ECLI:NL:RVS:2022:3505)

Jurne Adrichem 24 januari 2023

Jurisprudentie – Samenvattingen

Achtergrond van deze zaak

In het project ‘De Nieuwe Driemanspolder’ wordt de bestaande polder van een agrarisch gebied omgevormd tot een waterberging (het tijdelijk opvangen van water in de bodem of overige waterbergingsgebieden) met een functie voor recreatie en natuur. Het college van B&W van Leidschendam-Voorburg (hierna: “het college”) heeft aan de uitvoerende instantie een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een inlaatconstructie ten behoeve van de aan te leggen waterberging. Deze omgevingsvergunning ziet naast het bouwen van de inlaatconstructie ook op het uitvoeren van verschillende werkzaamheden, waaronder het aanleggen van een dam.

In eerste aanleg is het door een omwonende ingestelde beroep gegrond verklaard wegens een ondeugdelijke motivering van de beslissing op bezwaar. De rechtbank heeft daarbij geoordeeld dat de rechtsgevolgen in stand worden gelaten, aangezien ingevolge artikel 5.10 van de Waterwet geen omgevingsvergunning is vereist voor de werkzaamheden die in het projectgebied ter uitvoering van het projectplan worden verricht. De verenigde vergadering van het Hoogheemraadschap Rijnland (een waterschap) heeft namelijk een projectplan vastgesteld dat tevens voorziet in de bouw van een inlaatconstructie. Artikel 5.10 van de Waterwet luidt als volgt;

 “Voor zover een bestemmingsplan voor de uitvoering van werken en werkzaamheden een omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht vereist, geldt zodanige eis niet in het gebied dat is begrepen in een vastgesteld projectplan.”

De omwonende heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat een omgevingsvergunning niet is vereist. Zij voeren onder meer aan dat een deel van de aanlanding van de dam plaatsvindt op hun gronden, terwijl deze gronden buiten het projectgebied liggen.

De beoordeling

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna “de Afdeling”) overweegt dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5.10 van de Waterwet volgt dat een omgevingsvergunning in een dergelijk geval niet nodig is, omdat de planologische aanvaardbaarheid van een project al wordt beoordeeld in het kader van de vereiste provinciale goedkeuring van het projectplan. De omwonende had in hoger beroep nog aangevoerd dat de planologische aanvaardbaarheid in de procedure van het projectplan onvoldoende was beoordeeld, maar de Afdeling gaat daar niet in mee. Een groot deel van de werkzaamheden vindt plaats in het projectgebied en voor die werkzaamheden is dus geen omgevingsvergunning vereist, aldus de Afdeling.

Een deel van de werkzaamheden vindt echter plaats op het perceel van de omwonende. Nu dit grondgebied niet in het projectgebied ligt, had de rechtbank volgens de Afdeling niet mogen oordelen dat uit artikel 5.10 van de Waterwet volgt dat voor deze werkzaamheden geen omgevingsvergunning is vereist. De Afdeling vernietigt de aangevallen uitspraak en voorziet zelf in de behandeling van het beroep.

Het beroep wordt door de Afdeling vervolgens gegrond verklaard. De beslissing op bezwaar wordt vernietigd wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel (artikel 3:2 Awb) en het motiveringsbeginsel (artikel 7:12 Awb). Tijdens de hoorzitting in bezwaar is gebleken dat een deel van de werkzaamheden die zien op de aanleg van de dam worden uitgevoerd op gronden die binnen de reikwijdte van een ander bestemmingsplan vallen. In de beslissing op bezwaar had het college vervolgens aangevoerd dat er geen grond was om de vergunning te weigeren omdat de aanlanding van de dam niet in strijd is met de bestemming die ingevolge het bestemmingsplan op het perceel rust.

De Afdeling oordeelt dat het college hiermee weliswaar heeft onderzocht of er op grond van artikel 2.1, lid 1, sub c, van de Wabo een omgevingsvergunning is vereist, maar dat het college op basis van sub b van hetzelfde artikel had moeten onderzoeken of de planregels zelf eisen stellen aan het aanleggen van de dam. In het relevante bestemmingsplan is namelijk opgenomen dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning bepaalde werkzaamheden uit te voeren.

Het college is aan zet om een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Hierbij moet het college onderzoeken of een omgevingsvergunning is vereist (en zo ja, of de vergunning wordt verleend), en moet het college ingaan op de vraag of privaatrechtelijke belemmering eventueel in de weg staat aan het verlenen van de omgevingsvergunning.

Deze bijdrage is ook gepubliceerd in de Nieuwsbrief Omgevingsrecht van SDU.

Artikel delen