← Terug naar vorige pagina

De ruimtelijke aanvaardbaarheid van geluidsbelasting bij windturbines


Voor de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting van windturbines bij woningen en andere gevoelige gebouwen mag in principe worden uitgegaan van de geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Daarnaast moet gekeken worden naar de ruimtelijke aanvaardbaarheid van geluidsbelasting bij objecten waar deze geluidsnormen niet gelden, zoals kantoren of andere bedrijfsgebouwen. Uit de uitspraken inzake Windpark Hattemerbroek blijkt vervolgens dat als een gemeenteraad enkel de in een milieueffectrapport (“MER”) onderzochte geluidsgevolgen aanvaardbaar acht, deze geluidsbelasting als zodanig moet worden geborgd in het bestemmingsplan.

Uitgangspunt is het Activiteitenbesluit, daarnaast kijken naar de ruimtelijke aanvaardbaarheid

Windturbines moeten op grond van het Activiteitenbesluit op de gevel van woningen en andere gevoelige gebouwen van derden altijd voldoen aan de gestelde geluidsnormen. Deze geluidsnormen werken op grond van het Activiteitenbesluit rechtstreeks door gedurende de exploitatie van windturbines, en het is daarom niet nodig om hiervoor iets op te nemen in een bestemmingsplan of omgevingsvergunning (zie bijv. Windpark Blauw). Daarbij heeft de bestuursrechter meerdere malen, zoals bijvoorbeeld bij Windpark Kabeljauwbeek, onderschreven dat met de naleving van de geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit ter plaatse van woningen ook sprake is van een aanvaardbare geluidsbelasting.

Voor zover het gaat om de geluidsbelasting op objecten die niet onder het Activiteitenbesluit worden beschermd, moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening worden beoordeeld of de geluidsbelasting ter plaatse van deze objecten aanvaardbaar is. Bij Windpark Krammer bijvoorbeeld moest dit worden bepaald ten aanzien van een werkhaven en was onder meer van belang dat de toename van de geluidsbelasting door de windturbines in beginsel te klein was om waar te nemen. En bij Windpark Westfrisia werd de geluidsbelasting vanwege windturbines bij een paardenbak en paardenstal bepaald, waarbij de Afdeling van belang achtte dat het kunnen gebruiken van deze objecten door de geluidsbelasting niet ernstig werd belemmerd.

Windpark Hattemerbroek: aanvullende planologische borging noodzakelijk

Er moet dus onderscheid worden gemaakt tussen de mogelijkheid de geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit na te leven en de vraag of de geluidsbelasting ruimtelijk aanvaardbaar is. Bij de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting van de vier windturbines van Windpark Hattemerbroek ging het blijkens de tussenuitspraak fout. Weliswaar kon voldaan worden aan de geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit, maar de gemeenteraad stelde daarnaast dat slechts de geluidsgevolgen zoals die in de MER zijn berekend voor het voorkeursalternatief ruimtelijk aanvaardbaar zijn. In de planregels was echter niet geborgd dat deze beoogde geluidsbelasting niet zou worden overschreven.

De gemeenteraad kreeg de gelegenheid om dit gebrek te repareren en heeft dit gedaan door een planregel op te nemen op basis waarvan de geluidsbelasting vanwege het windpark op bepaalde referentiepunten niet hoger mag zijn dan is voorgeschreven. Deze referentiepunten liggen ook buiten de grenzen van de gemeente, waardoor de appellanten de vraag stelden of de gemeente dan wel bevoegd zou zijn tot handhaving van de geluidsbelasting op deze referentiepunten. De Afdeling ziet in de definitieve uitspraak geen reden om aan te nemen dat dit niet mogelijk is, onder meer omdat bij de gemeente verzocht kan worden om handhaving van de planregel.

De aanvullende borging van de geluidsbelasting roept wel de vraag op hoe de planologische besluitvorming zich verhoudt tot de normen uit het Activiteitenbesluit, meer specifiek de bevoegdheid om bij maatwerk normen met een lagere of andere waarde vast te stellen. Van die bevoegdheden kan niet zomaar gebruik worden gemaakt, wat de mogelijkheid tot het vaststellen van andere waarden beperkt. Deze beperkte mogelijkheid tot het stellen van maatwerk kan dan eventueel via het ruimtelijk spoor worden omzeild, aangezien een bestemmingsplan blijkbaar strengere normering kan opleggen. Deze mogelijkheid sluit in enige mate aan bij de overwegingen van de Afdeling uit de uitspraak over de weigering van de provincie Noord-Holland een omgevingsvergunning te verlenen. Daarin overwoog de Afdeling dat de kaders uit de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening aparte motieven hebben, die ondanks enige overlap wel de mogelijkheid boden om in het ruimtelijk spoor aanvullende normering op te stellen ten opzichte van het milieuspoor.

Reparatie na schending aanhaakverplichting

De Afdeling had in de tussenuitspraak verder vastgesteld dat bij de verlening van de omgevingsvergunning geen aanvraag voor een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming was ingediend en geen verklaring van geen bedenkingen van het provinciale college beschikbaar was. Het stond echter vast dat voor het windpark een ontheffing moest worden verkregen, zodat daarmee voor de Afdeling ook vaststond dat de omgevingsvergunning in strijd met de aanhaakverplichting was verleend en moest worden vernietigd. Bij de tussenuitspraak overwoog de Afdeling echter al dat er na verlening van de omgevingsvergunning een ontheffing was aangevraagd en verleend. In de definitieve uitspraak leidt dit ertoe dat de Afdeling het nieuwe besluit tot verlening van de omgevingsvergunning in stand laat, aangezien dit nieuwe besluit niet langer in strijd met de aanhaakverplichting is en de verleende ontheffing in stand blijft.

Geen samenvattingen beschikbaar.

  • ECLI:NL:RVS:2019:3989

    Bij tussenuitspraak van 17 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1258, heeft de Afdeling de raad van de gemeente Oldebroek opgedragen om binnen 20 weken na de verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in de bestreden besluiten te herstellen. [vergunninghouder] heeft het initiatief genomen tot de oprichting van een windmolenpark met 4 windturbines langs de Rijksweg N50, nabij het verkeersknooppunt Hattemerbroek in de gemeente Oldebroek. Het plan voorziet in deze 4 windturbines. Ter uitvoering van het plan is onder meer een omgevingsvergunning en een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming verleend. Appellanten zijn bewoners uit de omgeving van het plangebied en rechtspersonen die opkomen voor algemene belangen op het gebied van onder meer natuur, milieu, landschap en cultuurhistorie. Zij verzetten zich tegen de aanleg van het windmolenpark.

    Lees verder

Geen regelgeving beschikbaar.

Geen naslag beschikbaar.

ECLI ECLI:NL:RVS:2019:3989
Datum publicatie 29-11-2019