← Terug naar vorige pagina

Aannemelijk maken “noodzaak” bedrijfswoning is aan de aanvrager


Het college van burgemeester en wethouders kan een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bedrijfswoning weigeren, indien de bedrijfswoning niet noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering. Dat de bedrijfswoning noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering, moet de aanvrager aannemelijk maken. Dat er ook alternatieven mogelijk zijn, is daarbij niet van doorslaggevend belang. De Afdeling legt dat in haar uitspraak van 9 oktober 2019 nog eens uit.

Wat speelt er?

De directeur van een bedrijf, de aanvrager van de vergunning, exploiteert samen met zijn echtgenote een jachtwerf in Zutphen. In verband met de exploitatie en de bedrijfsvoering van de jachtwerf wonen zij met hun gezin in een bedrijfswoning bij de jachtwerf. Zij willen op dezelfde locatie een nieuw te bouwen bedrijfswoning, ter vervanging van de reeds bestaande bedrijfswoning, gaan bewonen. Om die reden is een omgevingsvergunning aangevraagd.

Op grond van het bestemmingsplan is een bedrijfswoning op dit perceel toegestaan. Onder bedrijfswoning wordt verstaan:

“een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk is.”

Het college heeft de omgevingsvergunning geweigerd, omdat de aanvrager niet heeft aangetoond dat huisvesting ter plaatse noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering. Er zijn namelijk alternatieve maatregelen denkbaar. Het bouwplan is volgens het college dan ook in strijd met het bestemmingsplan. De aanvrager is het hier niet mee eens en heeft bezwaar gemaakt tegen het weigeringsbesluit. Het college blijft in bezwaar bij zijn standpunt, waarna beroep en hoger beroep door de aanvrager volgen.

Aanvrager moet noodzaak aantonen

Het voornaamste argument dat de aanvrager aanvoert, is dat de rechtbank had moeten inzien dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom met de aangeleverde informatie de noodzaak van een bedrijfswoning niet is aangetoond. Het college heeft geen inzicht verschaft wanneer wordt voldaan aan het vereiste van noodzakelijkheid.

Het college is van mening dat het niet hoeft aan te tonen waarom geen sprake is van noodzaak, maar dat aanvrager aan moet tonen dat wél sprake is van noodzaak. Uit eerdere rechtspraak van de Afdeling volgt dat sprake is van noodzaak als de bedrijfsprocessen ter plaatse zoveel tijd en aandacht opeisen, dat op grond daarvan een redelijk belang om op het perceel te wonen aanwezig moet worden geacht. De aanvrager moet aannemelijk maken dat dit belang bestaat.

Volgens de Afdeling doet dit echter niet af aan het feit dat het college bij de weigering van de omgevingsvergunning inzichtelijk dient te maken waarom de aanvrager niet aannemelijk heeft gemaakt dat de bedrijfswoning noodzakelijk is.

College moet goed motiveren waarom noodzaak niet goed is aangetoond

Het college heeft in het besluit op bezwaar alleen aangegeven dat voor alle punten die de aanvrager in de aanvraag noemt ter onderbouwing dat de bedrijfswoning noodzakelijk is, andere maatregelen denkbaar zijn. Volgens de Afdeling heeft het hiermee niet inzichtelijk gemaakt waarom de aanvrager niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van noodzaak.

De Afdeling overweegt dat het redelijk belang van de aanvrager om op het desbetreffende perceel te wonen ook een rol speelt bij het bepalen van de noodzaak. Ook als maatregelen getroffen zouden worden, zoals het aannemen van personeel, kan dit belang nog steeds bestaan. Het college heeft het belang van de aanvrager bij de bedrijfswoning niet kenbaar betrokken in zijn belangenafweging. Aan de omstandigheid dat het gaat om vervanging van een bestaande bedrijfswoning heeft het college evenmin aandacht besteed.

Het college heeft daarnaast niet betwist dat de beheerwerkzaamheden van de jachtwerf wekelijks 60 tot 70 uur beslaan. Wel stelt het dat deze werkzaamheden door ingehuurd personeel kunnen worden verricht. De Afdeling overweegt echter dat het inhuren van personeel niet zonder meer maakt dat een bedrijfswoning vanuit bedrijfseconomisch oogpunt niet noodzakelijk zou kunnen zijn. Verder doet het ook niet zonder meer af aan het redelijk belang dat de aanvrager bij de bedrijfswoning kan hebben.

Al deze omstandigheden leiden tot de conclusie dat het besluit op bezwaar niet deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbankuitspraak wordt vernietigd en het college krijgt de opdracht een nieuw besluit te nemen.

Conclusie

Uit deze uitspraak volgt dat het aan de aanvrager is om aannemelijk te maken dat een bedrijfswoning noodzakelijk is. Slechts indien die noodzaak op redelijke gronden door het college wordt betwist, bestaat reden om de omgevingsvergunning te weigeren. Dat alternatieven denkbaar zijn, is op zichzelf in ieder geval geen reden tot weigering.

Het is ten slotte goed om erop bedacht te zijn dat wanneer de exploitant met zijn bedrijf stopt (vanwege pensioen of arbeidsongeschiktheid) en in de bedrijfswoning blijft wonen, de noodzakelijkheid wegvalt. Hierdoor kan strijd met het bestemmingsplan ontstaan en in dat geval kan het college handhavend optreden. Om dit te voorkomen, is het verstandig te kijken wat er precies in het bestemmingsplan staat over bedrijfswoningen, voordat de exploitatie wordt beëindigd.

  • Wanneer bedrijfswoning noodzakelijk?

    Mr. J.S. Haakmeester

    [...] uitspraak van de AbRvS 9 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3412 is opgenomen vanwege de overwegingen over de wijze waarop het “noodzaakscriterium” bij een bedrijfswoning moet worden getoetst. Het [...]

    Lees verder
  • ECLI:NL:RVS:2019:3412

    Bij besluit van 17 oktober 2017 heeft het college geweigerd aan [appellante] een omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen van een bedrijfswoning op het perceel [locatie] te Zutphen (hierna: het perceel).

    Lees verder

Geen regelgeving beschikbaar.

Geen naslag beschikbaar.

ECLI ECLI:NL:RVS:2019:3412
Datum publicatie 16-10-2019