← Terug naar vorige pagina

Geen overtreding, geen handhaving?


Indien een burger van mening is dat een situatie in strijd is met een wettelijk voorschrift, dan is het mogelijk om een handhavingsverzoek bij de gemeente in te dienen. Moet het bestuursorgaan naar aanleiding van het verzoek altijd handhaven?

Beginselplicht tot handhaving

In de jurisprudentie is bepaald dat een bevoegd bestuursorgaan bij een geconstateerde overtreding de verplichting heeft om handhavend op te treden. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd om dit niet te doen. Hiervan is sprake bij concreet zicht op legalisatie of als handhaving onevenredig zou zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. Het klinkt eenvoudig, maar tussen de gemeente en de burger ontstaat vaak discussie over de vraag of wel sprake is van een overtreding. Dit was ook het geval in een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de “Afdeling”).

Handhavingsverzoek

De verzoeker in deze kwestie heeft een landbouwbedrijf. Aan de overzijde van de weg van het landbouwbedrijf staat een haag. Volgens de verzoeker vormt de haag een obstakel voor de toeleveranciers van zijn landbouwbedrijf, omdat de oprit van het bedrijf zodanig smal wordt dat grotere vrachtwagens de draai niet kunnen maken naar het perceel van verzoeker. Om die reden heeft de verzoeker op 16 februari 2017 het college verzocht om handhavend op te treden tegen de haag.

Algemene Plaatselijke Verordening

In artikel 2:15 van de toepasselijke APV (gemeente Sittard-Geleen) is bepaald dat het verboden is om beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op een zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.

Afwijzing handhavingsverzoek

Het college heeft het verzoek om handhavend op te treden afgewezen, omdat volgens het college geen sprake is van een belemmering van het normale gebruik van de weg. De weg is vier meter breed en dat is volgens het college genoeg om een vrachtwagen doorgang te verschaffen. Volgens het college kan de verzoeker op het eigen terrein aanpassingen verrichten om het indraaien van de oprit door het vrachtverkeer te vergemakkelijken.

Oordeel rechtbank

De rechtbank is het grotendeels met het college eens. Volgens het oordeel van de rechtbank is de weg breed genoeg om doorgaand verkeer, waaronder vrachtverkeer, de doorgang te verschaffen. Verder oordeelt de rechtbank nog dat de oprit van de verzoeker niet kan worden aangemerkt als een weg als bedoeld in de Wegenverkeerswet. Dat betekent volgens de rechtbank dat artikel 2:15 APV hierop niet van toepassing is, zodat belemmeringen die vrachtwagenchauffeurs ondervinden geen strijd met deze bepaling opleveren.

Onjuiste maatstaf rechtbank

De verzoeker betoogt in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de haag geen strijd met artikel 2:15 APV oplevert. Volgens de verzoeker heeft de rechtbank een onjuiste maatstaf aangelegd om te beoordelen of sprake is van overtreding. Vrachtwagens en bestelbusjes kunnen volgens de verzoeker vanaf de openbare weg de oprit van verzoeker niet indraaien zonder gerede kans op schade. Volgens de verzoeker is dus sprake van hinder of gevaar als bedoeld in artikel 2:15 van de APV. Verder heeft de rechtbank volgens de verzoeker ten onrechte onderscheid gemaakt tussen het verkeer dat rechtdoor rijdt op de weg en het verkeer dat ter hoogte van de haag manoeuvreert.

Oordeel Afdeling

De Afdeling volgt verzoeker niet. Allereerst stelt de Afdeling vast dat de haag het uitzicht voor het wegverkeer niet belemmert. Vervolgens is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de oprit naar het perceel van verzoeker geen weg is als bedoeld in de APV. De Afdeling is echter, anders dan de rechtbank van oordeel, dat daaraan niet zonder meer de conclusie kan worden verbonden dat de APV niet van toepassing is op manoeuvrerend verkeer. Dit verkeer bevindt zich bij het manoeuvreren immers op de weg. Dit oordeel van de Afdeling biedt de verzoeker echter geen soelaas.

De Afdeling oordeelt dat de belemmeringen niet zijn ontstaan door de haag, die zich al sinds 1999 ter plaatse bevond, maar door de oprit van het bedrijf die te smal is voor de steeds groter wordende vrachtwagens die het bedrijf willen bereiken. Als de verzoeker deze belemmerende situatie wil wegnemen, dan zal hij de situatie op zijn eigen perceel kunnen aanpassen zodat de oprit wordt verbreed en het vrachtverkeer een ruimere bocht kan maken bij het in- en uitrijden.

Conclusie

De bovenstaande uitspraak alsmede andere recente uitspraken van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2019:3008, ECLI:NL:RVS:2019:2193) laten zien dat zich vaak de vraag voordoet of überhaupt wel sprake is van een overtreding. Indien dat niet het geval is, dan hoeft het bevoegde bestuursorgaan niet handhavend op te treden. Het is dus raadzaam om bij een handhavingsverzoek goed te bekijken of überhaupt wel sprake is van de gestelde overtreding.

Geen samenvattingen beschikbaar.

  • ECLI:NL:RVS:2019:3383

    Bij besluit van 16 februari 2017 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen een haag op het perceel [locatie 1] in Geleen afgewezen.

    Lees verder

Geen regelgeving beschikbaar.

Geen naslag beschikbaar.

ECLI ECLI:NL:RVS:2019:3383
Datum publicatie 10-10-2019