← Terug naar vorige pagina

Individuele beoordeling door CBb in fosfaatrechtzaken


Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) heeft vandaag uitspraak gedaan in een aantal zaken over fosfaatrechten. Het gaat om beroepen van melkveehouders tegen de door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (minister) op grond van de Meststoffenwet vastgestelde fosfaatrechten. Per 1 januari 2018 geldt het fosfaatrechtenstelsel. De minister kent fosfaatrechten toe op basis van, onder andere, het melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden. Het is verboden in een kalenderjaar meer fosfaat met melkvee te produceren dan het toegekende fosfaatrecht.

Volgens de melkveehouders is de vaststelling van fosfaatrechten in strijd met hun eigendomsrecht. Zij beroepen zich in dat verband op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EP), waarin dit recht wordt beschermd.

Heropeningsbeslissing

Na de zitting van 26 september 2018 heeft het CBb deze zaken bij beslissing van 17 oktober 2018 (zie ECLI:NL:CBB:2018:522) heropend om de betrokken melkveehouders de gelegenheid te geven hun individuele omstandigheden nader toe te lichten. Dit is gebeurd in verband met de vereiste beoordeling of in een individueel geval sprake is van een onevenredige last ten gevolge van het fosfaatrechtenstelsel, die in strijd is met artikel 1 van het EP. Nadat de minister heeft gereageerd op de nadere toelichting van de melkveehouders, heeft op 21 november 2018 een vervolgzitting plaatsgevonden.

Alle omstandigheden betrekken in individuele beoordeling

Bij de beoordeling of in een individueel geval sprake is van een onevenredige last moeten alle omstandigheden worden meegewogen. De bewijslast ligt in beginsel bij de veehouder. Bij deze beoordeling komt onder andere gewicht toe aan de omstandigheid dat bedrijven vergunningen hebben verkregen voor de start of uitbreiding van het bedrijf en op die basis investeringen hebben gedaan. Ook is van belang dat maar beperkt wordt voorzien in een knelgevallenregeling en een overgangstermijn ontbreekt. In de afweging moet verder worden betrokken dat voor melkveehouders duidelijk kon zijn dat ongeremde groei van de veestapel niet mogelijk zou zijn en dat na afschaffing van de melkquota mogelijk toch nog andere maatregelen, waaronder productiebeperkende maatregelen, zouden volgen.

Individuele beoordeling zaken melkveehouders

In de uitspraken van vandaag heeft het CBb de individuele omstandigheden van de betrokken melkveehouders beoordeeld om na te gaan of sprake is van een onevenredige last. Daarbij speelt bij de verschillende melkveehouders een grote diversiteit aan feiten en omstandigheden die ten aanzien van elke veehouder afzonderlijk in onderling verband en hun totaliteit zijn bezien.

Ten aanzien van één van de betrokken veehouders oordeelt het CBb bij weging van de individuele omstandigheden dat een onevenredige last aanwezig is. Het gaat in dit geval om een veehouder die zowel varkens als melkvee hield, maar onder meer door persoonlijke omstandigheden heeft besloten om te schakelen naar een bedrijf met uitsluitend melkvee. Volgens het CBb is de keuze voor deze omschakeling vanwege de bijzondere omstandigheden begrijpelijk. De melkveehouder heeft aannemelijk gemaakt dat de continuïteit van zijn bedrijf als gevolg van het fosfaatrechtenstelsel in gevaar is en dat hij een zware financiële last ondervindt. Ook is van belang dat met de uitbreiding van de melkveetak niet meer wordt gecompenseerd dan het wegvallen van de inkomsten van de varkenshouderij. Het CBb bepaalt dat de minister binnen zes weken een nieuwe beslissing moet nemen. Het ligt nu op de weg van de minister om te bepalen in welke vorm en omvang de veehouder compensatie moet worden geboden.

In alle andere zaken heeft het CBb geconcludeerd dat geen sprake is van een onevenredige last.

Deze uitspraken zijn definitief, het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) is de eindrechter in deze zaken. De volledige uitspraken zijn via onderstaande link te raadplegen. Bij verschil tussen dit persbericht en de volledige uitspraak is laatstgenoemde beslissend.

Uitspraken

ECLI:NL:CBB:2019:1

ECLI:NL:CBB:2019:2

ECLI:NL:CBB:2019:3

ECLI:NL:CBB:2019:4

ECLI:NL:CBB:2019:5

ECLI:NL:CBB:2019:6

ECLI:NL:CBB:2019:7

Geen samenvattingen beschikbaar.

  • ECLI:NL:CBB:2019:1

    Meststoffenwet: artikelen 21b, eerste en derde lid; Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP). Fosfaatrechten; beoordeling van beroep op artikel 1 van het EP. Geen inbreuk op artikel 1 van het EP aangenomen. Het bedrijf van appellante is vanaf 2013 fors gegroeid, van circa 197 melkkoeien en jongvee gemiddeld in 2013 naar in totaal 332 melkkoeien en jongvee op de peildatum in 2015. Een deel van de groei was dus al gerealiseerd en voor die aanwas zijn ook rechten verleend. Verweerder heeft gemotiveerd geopperd dat een deel van het huidige bedrijf kan worden afgestoten of verkleind. Daarbij neemt het College in aanmerking dat de waarde van de voor die aanwas toegekende (extra) rechten een (groot) deel van het (mogelijke) verlies kan opvangen. Dat verkleining of afstoot daarom niet wenselijk wordt geacht vanwege de door appellante gewenst toekomstige opvolging door (een van) de zoons, is wellicht begrijpelijk, maar voor de beoordeling of sprake is van een onevenredige last is de situatie van de door de regulering getroffen melkveehouder zelf maatgevend en niet de positie van mogelijke opvolgers in het bedrijf.

    Lees verder

Geen regelgeving beschikbaar.

Geen naslag beschikbaar.

ECLI ECLI:NL:CBB:2019:1
Datum publicatie 09-01-2019