← Terug naar vorige pagina

Zonnig perspectief voor ontwikkelaars van zonneakkers


Een half jaar geleden verscheen de Nationale energieverkenning 2017. Naar verwachting zal in 2025 de helft van de in Nederland geproduceerde elektriciteit afkomstig zijn uit hernieuwbare bron. In 2030 zou dat zelfs 2/3e kunnen zijn. De Nederlandse energietransitie is van start, maar gaat nog veel te langzaam; de doelstellingen voor 2020 (14% van alle energie uit hernieuwbare bron) worden bijvoorbeeld niet gehaald. In dat opzicht is ieder lichtpuntje aan de horizon welkom.

De uitspraak van 4 april 2018 van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (“Afdeling”) is zo’n lichtpuntje. Deze uitspraak is goed nieuws voor initiatiefnemers die energie willen opwekken via velden met zonnepanelen, zogenaamde “zonneakkers”.

Casus zonneakkers in Coevorden

Op 4 april 2016 verleende het college van burgemeester en wethouders van Coevorden (“B&W”) met gebruikmaking van de zogenaamde “kruimelgevallenregeling” een tijdelijke omgevingsvergunning voor 10 jaar aan Zonneakkers De Watering C.V. (“ZdW”) voor de aanleg van een zonneakker van 22 hectare. Ontwikkelingskosten: ca. EUR 1,5 miljoen.

Een belanghebbende maakte bezwaar, maar dit werd door B&W ongegrond verklaard. De belanghebbende ging vervolgens in beroep bij de rechtbank Noord-Nederland en kreeg gelijk van de bestuursrechter.

Oordeel rechtbank

De rechtbank constateerde dat het ter plaatse van de geprojecteerde zonneakker geldende bestemmingsplan in het buitengebied de zonneakker niet mogelijk maakt. Daarom is de tijdelijke omgevingsvergunning voor 10 jaar verleend met gebruikmaking van artikel 4, aanhef en lid 11 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (“Bor”). Dit artikel bepaalt, kortgezegd, dat voor verlening van een omgevingsvergunning voor gebruik in strijd met het bestemmingsplan in aanmerking komen: ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10 van artikel 4, voor een termijn van ten hoogste tien jaar.

Volgens de rechtbank had de omgevingsvergunning niet mogen worden verleend. ZdW en B&W hadden namelijk ter zitting verklaard dat het hun voornemen was om de zonneakker langer dan 10 jaar ter plaatse te laten. Dat was volgens de rechtbank in strijd met de strekking van artikel 4 aanhef en lid 11 van bijlage II bij het Bor, zoals die zou blijken uit de Nota van Toelichting bij het Bor (“Nota”; Stb. 2014, 333, p. 55 en 56). Daaruit leidde de rechtbank het vereiste af dat het aannemelijk moet zijn dat de vergunde activiteit na 10 jaar zonder onomkeerbare gevolgen kan en zal worden beëindigd. Gelet op de ontwikkelingskosten van de zonneakker en het voornemen om die langer dan 10 jaar te laten staan, achtte de rechtbank het niet aannemelijk dat deze activiteit na 10 jaar kan en zal worden beëindigd. Daarom vernietigde de rechtbank het besluit op bezwaar en herriep de rechtbank de verleende vergunning.

Oordeel Afdeling

B&W liet het er niet bij zitten en ging in hoger beroep. Volgens B&W had de rechtbank slechts behoren te toetsen of de exploitatie van de zonneakker na 10 jaar zonder onomkeerbare gevolgen kan worden beëindigd. Dat is volgens B&W ook het geval: de zonnepanelen zouden komen te staan op ijzeren palen en daarom makkelijk te verwijderen zijn. Kapitaalvernietiging zou niet aan de orde zijn omdat de zonnepanelen eenvoudig elders te plaatsen zouden zijn.

De Afdeling geeft B&W gelijk:

 “4.1.    Onder verwijzing naar de tussenuitspraak van de Afdeling van 29 november 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:3276) wordt overwogen dat voor de toepasbaarheid van artikel 4, onderdeel 11, van bijlage II van het Bor uitsluitend is vereist dat het feitelijk mogelijk en aannemelijk moet zijn dat de vergunde activiteit zonder onomkeerbare gevolgen kan worden beëindigd. Voor de vraag of het college op de grondslag van artikel 4, onderdeel 11, van bijlage II van het Bor een vergunning heeft kunnen verlenen is dus niet van belang of aannemelijk is dat de zonnepanelen na 10 jaar ook daadwerkelijk zullen worden verwijderd. De rechtbank heeft dit niet onderkend.”

Vervolgens vernietigt de Afdeling de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van de belanghebbende alsnog ongegrond.

Commentaar

Kúnnen verwijderen of zúllen verwijderen? Volgens de Afdeling is kúnnen genoeg; zij acht het niet relevant of aannemelijk is dat de zonneakker ook daadwerkelijk zál worden verwijderd na 10 jaar. Maar waarom is zúllen dan niet relevant?

Een mogelijke verklaring leid ik af uit de uitspraak waar de Afdeling naar verwijst. Daar was een soortgelijke vergunning verleend voor de aanleg van betonplaten om machines op te stallen, voor de duur van één jaar. De appellant in deze zaak voerde aan dat het niet aannemelijk was dat de betonplaten na één jaar zouden worden verwijderd omdat het een jong bedrijf betrof. De Afdeling passeerde dat argument, omdat zij de vraag of de vergunninghouder de platen langer nodig zou hebben niet relevant achtte. De Afdeling verwees daarbij naar pagina 25 en 26 van de Nota. Daaruit volgt dat de tijdelijke omgevingsvergunning óók bedoeld is voor activiteiten die voorzien in een permanente behoefte. Op pagina 26 van de Nota staat dat het:

 “slechts feitelijk mogelijk en aannemelijk [hoeft] te zijn dat de activiteit zonder onomkeerbare gevolgen kan worden beëindigd, omdat immers anders impliciet de activiteit voor onbepaalde tijd zou worden vergund”. (Onderstreping door mij)

Merk op dat de Nota op dit punt niet geheel consistent is qua woordkeuze, omdat op pagina 56 staat:

“dient bij het verlenen van de vergunning aannemelijk te zijn dat de activiteit na de in de vergunning gestelde termijn daadwerkelijk kan en zal worden beëindigd. Daarvoor is relevant dat het feitelijk mogelijk is dat de activiteit zonder onomkeerbare gevolgen kan worden beëindigd.” (Onderstreping door mij)

Gelet op de voornoemde uitspraken van de Afdeling is buiten twijfel dat in voorkomend geval slechts moet worden getoetst óf het aannemelijk is dat de vergunde activiteit aan het einde van de termijn (van maximaal 10 jaar) zonder onomkeerbare gevolgen kán worden beëindigd.

Als gezegd is dit goed nieuws voor de ontwikkelaars van zonneakkers met een (relatief) eenvoudig te verwijderen constructie. Zonneakkers staan overwegend in buitengebieden en daar kan geen gebruik worden gemaakt van artikel 4 lid 9 van bijlage II bij het Bor. Dit artikel biedt namelijk slechts de mogelijkheid om (permanent) grond te gebruiken in strijd met het bestemmingsplan ten behoeve van een zonneakker binnen de bebouwde kom. En daar ontbreekt het doorgaans aan voldoende ruimte.

Ontwikkelaars kunnen bij strijd met het bestemmingsplan in een buitengebied, met medewerking van het college van B&W, relatief snel en eenvoudig een tijdelijke omgevingsvergunning verkrijgen. Binnen 8 weken kan via de reguliere procedure een aanvraag zijn vergund (de uitgebreide procedure, die zou moeten worden doorlopen bij een aanvraag voor een niet-tijdelijke omgevingsvergunning, duurt in de regel 6 maanden en vereist een uitgebreidere onderbouwing dan de reguliere procedure). Dit is van belang, omdat veel zonneakkers worden aangelegd met SDE+ subsidie, waarbij de voorwaarde geldt dat het project binnen 3 jaar na verlening van de subsidie in gebruik moet zijn genomen (zie artikel 15 van de subsidieregeling, Stcrt. 2017, 69690). Gebruikmaking van de reguliere procedure, kan behulpzaam zijn om de SDE+ subsidie veilig te stellen.

Om de exploitatie van een zonneakker op de lange termijn te bestendigen, zou gedurende de looptijd van de tijdelijke omgevingsvergunning mogelijk alsnog kunnen worden voorzien in wijziging van het bestemmingsplan, of een omgevingsvergunning via de uitgebreide procedure.

  • Een zonneakker is snel vergunbaar, mits de akker na 10 jaar zonder onomkeerbare gevolgen kan worden verwijderd!

    mr. A. ten Veen

    [...] windturbines zijn zonnepanelen een beproefde methode om de energietransitie te bewerkstelligen. Het maatschappelijk draagvlak voor windturbines op land staat onder druk. Zonneakkers lijken [...]

    Lees verder
  • Is een zonnepark van 22 hectare een aannemelijke tijdelijke bestemming?

    Mr. M. Pals

    [...] vraag was aan de orde in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 4 april 2017 (ECLI:NL:RVS:2018:1112). De eigenaar van een nabijgelegen [...]

    Lees verder
  • Zonneakker, tijdelijk bouwwerk?

    Mr. J.S. Haakmeester

    [...] uitspraak AbRvS 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1112, gaat over de vraag of aan Zonneakker De Watering C.V. een omgevingsvergunning en kruimelafwijking voor de realisatie van zonneakkers voor de [...]

    Lees verder
  • Toetsing van tijdelijkheid bij een kruimel-omgevingsvergunning: een kwestie van kunnen of zullen beëindigen?

    Mr. J.H.A. van der Grinten

    [...] toepassing van artikel 4, onderdeel 11, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (‘Bor’) met het oog op het tijdelijk vergunnen van strijdig gebruik komt in de praktijk veelvuldig voor. In [...]

    Lees verder
  • Snel een tijdelijke vergunning “zonneakker” zonder einddatum

    Mr. J. van Vulpen

    [...] deze tijd van “Parijse” klimaatafspraken en energietransitie zijn naast windturbines steeds vaker zonnevelden, zonneparken of zonneakkers in het landschap te zien. Verschillende benamingen voor [...]

    Lees verder
  • Snel een tijdelijke vergunning “zonneakker” zonder einddatum

    Mr. J. van Vulpen

    [...] deze tijd van “Parijse” klimaatafspraken en energietransitie zijn naast windturbines steeds vaker zonnevelden, zonneparken of zonneakkers in het landschap te zien. Verschillende benamingen voor [...]

    Lees verder
  • ECLI:NL:RVS:2018:1112

    Bij besluit van 4 april 2016 heeft het college een omgevingsvergunning voor de duur van 10 jaar verleend aan Zonneakker De Watering C.V., [persoon A] en [persoon B] (hierna tezamen en in enkelvoud: Zonneakker De Watering C.V.) voor het realiseren van zonneakkers op de percelen lokaal bekend als Dwarspad ongenummerd te Coevorden (hierna: de percelen).

    Lees verder

Geen regelgeving beschikbaar.

Geen naslag beschikbaar.

ECLI ECLI:NL:RVS:2018:1112
Datum publicatie 16-04-2018