← Terug naar vorige pagina

Eigenaar winkelcentrum aanspreekbaar op niet-naleving energiebesparingsplicht door haar huurder(s)


Energiebesparingsplicht art. 2.15 Activiteitenbesluit

In het kader van het Energieakkoord is afgesproken dat de energiebesparingsplicht van artikel 2.15 Activiteitenbesluit ‘meer handen en voeten’ zou krijgen. Inmiddels zijn er lijsten met zogenoemde ‘erkende maatregelen’ opgesteld om naleving van die plicht te vereenvoudigen; daarnaast krijgt ook de handhaving meer prioriteit.

Op wie rust deze plicht in een huurverhouding?

In huurverhoudingen is een belangrijke vraag wie voor naleving van de besparingsplicht moet zorgdragen; de huurder of de verhuurder? En hoe pakt dat uit in multi-tenant gebouw, zoals bijvoorbeeld een winkelcentrum?

Recent heeft de rechtbank Haarlem zich hierover uitgesproken. Daar lag een last onder dwangsom aan de eigenaar van De Bazar in Beverwijk voor. De eigenaar stelde zich op het standpunt dat de besparingsplicht niet op haar zou rusten, maar op de huurders. Als eigenaar heeft zij geen zeggenschap over de zelfstandige winkelunits en zij kan derhalve niet worden aangesproken op naleving van de besparingsplicht, zo betoogde zij. De rechtbank oordeelde evenwel anders.

Rechtbank (ECLI:NL:RBNHO:2017:9860)

Gelet op artikel 2.15 Activiteitenbesluit en artikel 1.1 lid 4 Wet milieubeheer rust de besparingsplicht op de ‘drijver van een inrichting’ en is er sprake van ‘één inrichting’ bij ‘onderlinge technische, organisatorische of functionele bindingen’ tussen de verschillende installaties die in elkaar onmiddellijke nabijheid liggen. Aan de hand van deze criteria komt de rechtbank tot het oordeel dat de Bazar als één inrichting moet worden beschouwd. Belangrijk hierbij is dat de eigenaar via de huurovereenkomsten en de Algemene Voorwaarden zeggenschap heeft over de activiteiten die binnen de winkelunits plaatsvinden. Er is niet slechts sprake van een algemeen bevoegdheid tot het geven van aanwijzingen, maar op grond van de huurovereenkomst en de Algemene Voorwaarden heeft de eigenaar bijzondere en vergaande(re) bevoegdheden die specifiek zien op de naleving van milieuregels. Dat het uitoefenen daarvan in de praktijk lastig uitvoerbaar is maakt niet dat de eigenaar geen zeggenschap zou hebben over de activiteiten in de afzonderlijke winkelunits. De Bazar moet derhalve als één inrichting worden beschouwd en de eigenaar als drijver daarvan. De last onder dwangsom was terecht opgelegd aan de eigenaar van Bazar.

Voor de praktijk

De inhoud van de huurovereenkomst heeft in deze uitspraak een belangrijke rol gespeeld bij zowel de vraag of er sprake is van één inrichting (organisatorische binding) als de vraag of de eigenaar als drijver daarvan kan worden aangemerkt. Of de handhaving zich tot de juiste rechtspersoon was gericht, kwam in deze uitspraak niet expliciet naar voren, maar is ook relevant.

Belangrijk les voor de praktijk is dus het belang van de inhoud van de huurovereenkomst voor de naleving van de energiebesparingsplicht.

  • Verhuurder of huurder gehouden tot energiebesparende maatregelen?

    Mr. F. Damen

    [...] moeten energiebesparende maatregelen nemen. Maar hoe zit dat als sprake is van (ver)huur? Die vraag beantwoordde rechtbank Noord-Holland in een uitspraak van 23 november 2017 [...]

    Lees verder
  • Handhaving energiebesparing afdwingen?

    Mr. S. Smit

    [...] is een onderdeel van het klimaatbeleid in Nederland en is opgenomen in het Energieakkoord. In het Activiteitenbesluit is opgenomen dat exploitanten van een inrichting verplicht zijn [...]

    Lees verder
  • ECLI:NL:RBNHO:2017:9860

    Last onder dwangsom. Inrichtingenbegrip. In geschil is of sprake is van één inrichting in de zin van artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer.

    Lees verder

Geen regelgeving beschikbaar.

Geen naslag beschikbaar.

ECLI ECLI:NL:RBNHO:2017:9860
Datum publicatie 06-12-2017