nieuws

Energiebesparingsplicht

09-02-2016

Energiebesparingsplicht; erkende maatregelen voor 7 branches vastgesteld.

Energiebesparingsplicht
Bedrijven (‘inrichtingen’) met een jaarlijks energieverbruik van meer dan 50.000 kilowattuur aan elektriciteit en/of 25.000 kubieke meter aardgasequivalenten zijn verplicht om die energiebesparingsmaatregelen te treffen die een terugverdientijd hebben van minder dan 5 jaar (tenzij het gaat om een zogenoemde type c-inrichting). Dat geldt niet alleen voor grotere ‘vervuilers’, maar ook voor kantoren, winkels en utiliteitsgebouwen.

Deze besparingsplicht geldt al enige tijd en staat sinds 2012 in het Activiteitenbesluit (art. 2.15). Het niet-naleven van deze plicht kan tot handhavingsacties leiden. In de praktijk werd echter weinig toepassing gegeven aan deze bevoegdheid, onder meer omdat het niet eenvoudig is om de terugverdientijd van energiebesparende maatregelen te bepalen. In het Energieakkoord voor duurzame groei van 6 september 2013 werd daarom onder meer afgesproken om – kort gezegd – meer handen en voeten te geven aan deze besparingsplicht. Voorgesteld werd om zogenoemde lijsten met erkende maatregelen te introduceren: wanneer deze maatregelen worden getroffen, wordt aangenomen dat aan de energiebesparingsplicht is voldaan.

Erkende maatregelen: eerste zeven bedrijfstakken
Inmiddels zijn (met ingang van 1 december 2015) voor de volgende zeven bedrijfstakken de eerste lijsten met zogenoemde erkende maatregelen vastgesteld:

Metalelektro en mkb-metaal
Kantoren
Gezondheids- en welzijnszorginstellingen
Onderwijsinstellingen
Autoschadeherstelbedrijven
Rubber- en kunststofindustrie
Commerciële datacentra.

Deze lijsten zijn opgenomen in bijlage 10 van de Activiteitenregeling. Deze bijlage bevat ook een beschrijving van het soort bedrijven dat onder de desbetreffende bedrijfstak valt. Voor de praktijk is een Handreiking Erkende maatregelen op gesteld (via www.infomil.nl).

Het (nieuwe) artikel 2.16 van de Activiteitenregeling bepaalt dat wanneer alle voor de desbetreffende bedrijfstak voorgeschreven erkende maatregelen zijn getroffen, het bedrijf geacht wordt te hebben voldaan aan de energiebesparingsplicht. Het is dan dus niet meer nodig om per inrichting vast te stellen welke energiebesparende maatregelen een terugverdientijd van minder dan 5 jaar hebben. Mochten niet alle maatregelen getroffen zijn, dan zal aan de algemene energiebesparingsplicht van artikel 2.15 Activiteitenbesluit moet worden voldaan.

De lijst met erkende maatregelen wordt periodiek, in beginsel jaarlijks, geactualiseerd.

Voor wie geldt de verplichting?
De besparingsplicht geldt voor degene die een ‘inrichting’ drijft. Zowel over de afbakening van de ‘inrichting’ als over de ‘drijver’ kan discussie ontstaan. Wanneer er in een gebouw meerdere bedrijven en/of eigenaren zijn of wanneer de eigenaar niet dezelfde rechtspersoon is als de gebruiker/exploitant, zal beoordeeld moeten worden of er sprake is van één of meerdere inrichtingen en wie als ‘drijver van de inrichting’ moet worden aangemerkt . In de regel is dat degene het in zijn macht heeft om de desbetreffende energiebesparende maatregel te treffen.

Praktijk
Nu de erkende maatregelen een nieuw instrument betreffen, zal in de praktijk moeten blijken of en hoe ze worden toegepast en of ze daadwerkelijk de beoogde impact hebben. Uitvoering van de erkende maatregelen is immers niet verplicht. Een bedrijf kan er voor kiezen om niet (alle) maatregelen uit de lijst toe te passen, maar andere energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van minder dan 5 jaar. Anders dan bij de erkende maatregelen kan er dan discussie ontstaan over de duur van de terugverdientijd; uit de rechtspraak over het afdekken van koelinstallaties in supermarkten (recent: ECLI:NL:RBAMS:2015:9147; zie ook: ECLI:NL:RVS:2007:BB3430, ECLI:NL:RVS:2008:BG7181, ECLI:NL:RVS:2007:BB3435) blijkt dat deze duur lastig te bepalen kan zijn.

Ook zijn discussies te verwachten bij gebouwen met meerdere eigenaren en/of gebruikers en ingeval van een zogenoemd ‘split incentive’ (kosten van de maatregelen voor rekening gebouweigenaar, energiebesparing ten gunste van de huurder). Zonder nadere afspraken tussen de betrokken partijen over de uitvoering, kosten en opbrengsten van de duurzame maatregelen (b.v. via zgn green lease-huurovereenkomsten) kan onduidelijk zijn op welke partij de besparingsplicht rust, welke maatregelen moet treffen en voor wiens rekening de kosten en opbrengsten zijn. Het is dan ook raadzaam dat partijen hierover afspraken te maken.

Volgende tranche
Momenteel wordt gewerkt aan de lijsten met erkende maatregelen voor de volgende zes bedrijfstakken: detailhandel, horeca, automotive, de agrarische sector, sport- en recreatiesector en de voedingsmiddelenindustrie. De verwachting is dat deze tweede groep lijsten in 2016 wordt vastgesteld.

Gerelateerd nieuws

Nieuwsbrief

Blijf op de hoogte van het laatste nieuws. Word lid van onze gratis nieuwsbrief!

Schrijf je in