nieuws

Actualiteiten overheidsprivaatrecht – mei 2019

12-06-2019

Het overheidsprivaatrecht is voortdurend in beweging. Wij zetten daarom maandelijks de belangrijkste ontwikkelingen in de rechtspraak op een rij. Deze maand onder andere de publiekrechtelijke inspanningsverplichting en onrechtmatige hinder.

1. Onrechtmatige bijstandsbesluiten, causaal verband en de schuldsaneringsregeling

Bij de vaststelling van het causaal verband tussen een onrechtmatig besluit en geleden schade is de burgerlijke rechter niet gebonden aan inhoudelijke overwegingen van de bestuursrechter. Dit volgt uit een arrest van de Hoge Raad van 17 mei 2019 (waarover dit blog). Aan de orde waren onrechtmatige besluiten tot intrekking en terugvordering van bijstand. Volgens eiseres hebben deze besluiten ertoe geleid dat een wettelijke schuldsaneringsregeling tussentijds is beëindigd. Het hof was eiseres hierin gevolgd, maar had zich daarbij ten onrechte gebonden geacht aan een oordeel van de Centrale Raad van Beroep (dat de gemeenschappelijke huishouding niet was bewezen). De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van de CRvB alleen bindend is voor zover het de rechtmatigheid van de bijstandsbesluiten betreft. Daarbuiten niet. De burgerlijke rechter is dus niet gebonden aan de inhoudelijke overwegingen van de bestuursrechter bij de beoordeling van een geschilpunt dat niet de geldigheid van het besluit betreft (zoals het causaal verband).

2. Als je afspraken maakt over ingebrekestelling, moet je die ook nakomen

Een recent gepubliceerd arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden draait om de verkoop en levering van een pand door een gemeente. In de koopovereenkomst staat de (standaard) afspraak dat partijen recht hebben op schadevergoeding en/of boetes als een partij tekort blijft schieten in de nakoming, nadat hij met inachtneming van een termijn van acht dagen in gebreke is gesteld. Vlak voor de geplande leveringsdatum, wordt een asbestbesmetting aangetroffen. Hierop weigert de koper om het pand af te nemen. In plaats van de gemeente conform afspraak in gebreke te stellen, 'zegt hij de boete aan' en sommeert hij de gemeente later om binnen 24 uur een saneringsopdracht te verstrekken. Dit komt koper duur te staan; het Hof oordeelt namelijk dat partijen een exclusieve afspraak hebben gemaakt voor het geval een partij aanspraak wil maken op schadevergoeding en/of boetes. Doordat deze afspraak niet is nagekomen, worden alle vorderingen van de koper (boetes en schadevergoeding) afgewezen.

3. Gebiedsontwikkeling en inspanningsverplichting (1)

Inspanningsverplichtingen zijn niet zonder gevaar, zo volgt uit een uitspraak van de Rechtbank Zeeland – West-Brabant (waarover dit blog). In een overeenkomst ('SOK') stond voor de gemeente een standaard inspanningsverplichting ('gemeente moet zich inspannen om het project publiekrechtelijk mogelijk te maken'). De rechtbank overweegt dat waar bestuursorganen op dit gebied veel vrijheid genieten, de gemeente zich voor wat betreft de uitoefening van publiekrechtelijke bevoegdheden van haar organen heeft gebonden. Dat medewerking is geweigerd op grond van (o.a.) 'de goede ruimtelijke ordening' acht de rechtbank dan ook niet toelaatbaar. Geoordeeld wordt dat dit 'slechts' een algemene en abstracte wettelijke taak betreft, die geen afbreuk doet aan de verbintenis tot verlening van publiekrechtelijke medewerking. Bij het nemen van besluiten moet aan een goede ruimtelijke ordening worden getoetst, maar deze toets heeft de gemeente, waar zij bij het aangaan van de SOK beleidsvrijheid had, al aangelegd en zich – zodoende – vastgelegd. Ondanks dat dit laatste op gespannen voet lijkt te staan met jurisprudentie van de Afdeling, is het dus aan te raden dit soort (inspannings-)verplichtingen goed en duidelijk te clausuleren.

4. Gebiedsontwikkeling en inspanningsverplichting (2)

Ook het Hof 's-Hertogenbosch boog zich deze maand over een verplichting van de gemeente om zich (o.a.) in te spannen de – aanvragen voor – bouwvergunning(en) binnen de wettelijke termijn af te handelen. Het hof overweegt – in algemene zin – dat de gemeente gehouden was de realisatie van een woningbouwproject door de ontwikkelaar procedureel te bevorderen. De gemeente diende zich, anders gezegd, welwillend op te stellen en voortvarend te handelen. In zoverre niets nieuws. Maar dan gaat het hof een nieuw pad op; het hof legt de inspanningsverplichting uit in het licht van de jurisprudentie van de Hoge Raad die ziet op aansprakelijkheid voor te laat beslissen op een aanvraag. Uit die jurisprudentie volgt dat aansprakelijkheid niet reeds bestaat op de enkele grond dat de wettelijke beslistermijn is overschreden. Daarvoor zijn, kort gezegd, bijkomende omstandigheden vereist. Deze maatstaf geldt volgens het hof ook voor de inspanningsverplichting in deze zaak, in die zin dat niet reeds sprake is van een tekortkoming als de beslistermijn is overschreden. Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden vereist en aangezien daar in deze zaak geen sprake van was, komt het hof tot de conclusie dat de gemeente niet aansprakelijk is.

5. Het plaatsen van een hinderlijke lantaarnpaal

Maatregelen die een wegbeheerder treft kunnen voor inwoners soms hinderlijk uitpakken. Zo had (het land) Curaçao een lantaarnpaal geplaatst middenin een strook grond die naar een bedrijfshal leidde. Dat is hinderlijk, zo erkende het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, maar onrechtmatige hinder is het niet. Het is namelijk aan Curaçao, als wegbeheerder, om de inrichting van de weg vorm te geven. Bij het gekozen type lantaarnpalen is het noodzakelijk om lantaarnpalen niet te ver uit elkaar te plaatsen om te voorkomen dat er 'zwarte gaten' ontstaan. Bovendien staat de lantaarnpaal niet aan bereikbaarheid van het perceel van eiser in de weg. Met deze mate van overlast is Curaçao niet gehouden om de lantaarnpaal te verplaatsen, noch om andersoortige lantaarnpalen aan weerszijden van de strook grond te plaatsen. Dat geldt vooral omdat eiser ook andere maatregelen kan nemen om zijn bezoekers op de lantaarnpaal te wijzen. De hinderlijke lantaarnpaal mag dus blijven staan.

6. Gemeenten en wateroverlast

Gemeenten worden regelmatig aangesproken voor schade door wateroverlast, onder andere in geval van een verhoogde grondwaterstand (zie bijv. deze uitspraak). Vorderingen wegens schade door afvloeiend regenwater na herinrichting van bijvoorbeeld een straat, komen ook veel voor. Kernvraag is dan of een wijziging in de loop, hoeveelheid of hoedanigheid van over het erf afstromend water wordt gebracht op een wijze die onrechtmatige hinder oplevert jegens de eigenaar van het naastgelegen erf (art. 5:39 BW jo. art. 6:162 BW). Hieraan had een gemeente zich volgens de Rechtbank Limburg niet schuldig gemaakt. De waterloop was volgens de rechtbank namelijk niet wezenlijk gewijzigd, omdat de weg voor de woning van eiseres zowel voor als na de reconstructie hoger lag dan het laagstgelegen punt van haar perceel. Ook had eiseres niet aannemelijk gemaakt dat de hoeveelheid water die in de richting van haar perceel stroomde, was toegenomen sinds de wegreconstructie. De gemeente is dus niet aansprakelijk voor de vochtschade die eiseres stelt te lijden.

7. Vrijheid van zekerheidsstelling

Als je afspreekt op een bepaalde manier zekerheid te stellen, kan de redelijkheid en billijkheid ertoe leiden dat een andere wijze ook moet worden geaccepteerd, zo blijkt uit een kortgedingvonnis van het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba. Tussen het land Aruba en SAIF was een erfpachtovereenkomst gesloten. Het recht van erfpacht zou worden geleverd zodra SAIF een bankgarantie ten behoeve van het land zou stellen. SAIF gaf echter geen bankgarantie af, maar stortte een gelijk bedrag op de bankrekening. Dit omdat het voor SAIF wegens haar Islamitische geloofsovertuigingen niet mogelijk is om bij de lokale banken de bankgarantie te stellen. Het Gerecht volgt dat standpunt: naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid is het onaanvaardbaar dat het land geen genoegen neemt met de gestelde vorm van zekerheid en blijft vasthouden aan de overeengekomen bankgarantie. Met de gestelde zekerheid is meer dan voldaan aan het doel, de strekking en de geest van wat partijen zijn overeengekomen. Het land zal het recht van erfpacht dus moeten leveren.

8. Het uitzenden van heimelijk gemaakte opnamen

Het Hof Amsterdam heeft geoordeeld dat Powned niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens voormalig burgemeester Onno Hoes. Powned had heimelijk gemaakte opnames van twee dates van Onno Hoes uitgezonden. Het Hof stelt vast dat dit handelen op indringende wijze inbreuk maakt op het privéleven, maar dat Powned (wel) binnen de grenzen van de journalistieke vrijheid van meningsuiting is gebleven. Daarbij is van belang dat Onno Hoes burgemeester c.q. een publiek figuur was. En een publiek figuur moet zich meer publiciteit laten welgevallen dan een willekeurig ander persoon. Daarnaast weegt het Hof mee dat Onno Hoes zijn privéleven tot onderwerp van publieke aandacht en politieke beoordeling heeft gemaakt, dat de opnamen in openbare ruimten zijn gemaakt en dat Powned de uitzending nimmer heeft herhaald of op de website heeft gezet. Het Hof benadrukt wel dat media geen vrijbrief hebben om publieke personen heimelijk te filmen en deze beelden vervolgens uit te zenden. De rechtmatigheid hiervan hangt af van de omstandigheden van het geval.

9. Mededeling sluitingsdatum onderdeel besluit of feitelijk handelen?

In een arrest van het Hof 's-Hertogenbosch probeert een saunacomplex door middel van een kort geding te ontsnappen aan een sluiting op grond van artikel 13b Opiumwet. In de last onder bestuursdwang was opgenomen dat het complex voor de duur van één jaar zou worden gesloten: van 6 maart 2017 tot 6 maart 2018. De last kon echter – door een schorsing en vernietiging door de rechtbank – pas ten uitvoer worden gelegd na de uitspraak van de Afdeling begin 2019. Volgens het saunacomplex kan de burgemeester in 2019 geen sluitingsbevoegdheid meer ontlenen aan zijn besluit uit 2017, omdat de daarin genoemde sluitingsperiode is verstreken. Het hof volgt haar hierin niet, omdat niet voldoende vaststaat dat de bodemrechter het saunacomplex gelijk zal geven. De burgemeester maakt ook geen misbruik van zijn sluitingsbevoegdheid op de grond dat de last door het tijdsverloop sinds 2017 geen reparatoir effect meer zou hebben. Het saunacomplex heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat de sluiting een punitief karakter heeft. De sluiting gaat dus door.

https://www.omgevingsweb.nl/partners/akd