Menu

Zoek op
rubriek
Omgevingsweb
0

ECLI:NL:RBNHO:2022:92

10 januari 2022

Jurisprudentie – Uitspraken

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 21/4924 en HAA 21/5925

uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 januari 2022 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: C.F.J. de Geus),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bloemendaal, verweerder

(gemachtigde: mr. H.J.M. Besselink).

Procesverloop

In het besluit van 20 juli 2021 (primair besluit) heeft verweerder aan [vergunninghouder] B.V. (vergunninghouder) een omgevingsvergunning verleend voor het kappen van 154 bomen op het Blekersveld in Overveen.

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

In het besluit van 20 juli 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 17 december 2021 op zitting behandeld. Verzoeker is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, vergezeld door [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door [naam 2] , [naam 3] , beiden werkzaam bij de gemeente Bloemendaal, en ing. [naam 4] van [vergunninghouder] B.V. Namens verweerder waren ook aanwezig [naam 5] en [naam 6] (wethouders).

Overwegingen

Beslissing van de voorzieningenrechter

1.1De voorzieningenrechter heeft op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de bevoegdheid om niet alleen uitspraak te doen op het verzoek om voorlopige voorziening maar ook op het beroep, als de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Gesteld, noch gebleken is dat er nog nader onderzoek gaande is of nodig is in deze zaak. Bovendien ziet de voorzieningenrechter in het door verzoeker naar voren gebrachte feit dat er nog gemeenteraadsverkiezingen aankomen en een nieuw college van B&W misschien een ander standpunt in zal nemen ten aanzien van de bomenkap (en/of de woningbouw) geen omstandigheid om geen gebruik te maken van deze bevoegdheid. De voorzieningenrechter zal daarom op het beroep en op het verzoek beslissen.

1.2De voorzieningenrechter verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Dit betekent dat verzoeker ongelijk krijgt en de bomen gekapt mogen worden. De voorzieningenrechter zal hieronder uitleggen hoe tot dit oordeel is gekomen.

Achtergrond

2.1Verweerder heeft het plan om het (nu braakliggende en afgesloten) Blekersveld in Overveen te herontwikkelen ten behoeve van woningbouw voor statushouders en reguliere woningzoekenden. Omdat de locatie sterk verontreinigd is met PAK en PCB in de grond, moet de bodem worden gesaneerd om daar woningbouw te kunnen realiseren. Om de bodem te kunnen saneren, dienen eerst bomen te worden gekapt.

2.2Verweerder heeft om een advies van het team groenvoorzieningen gevraagd. In de checklist beoordeling kapvergunning van het team groenvoorzieningen van 7 juni 2021 concludeert de bomendeskundige dat de bomen geen bijzondere waarden hebben. De bomen beschikken niet over een toekomstverwachting. In de afgelopen 30 jaar zijn de bomen door de slechte bodemomstandigheden minimaal gegroeid.

2.3Op 21 juli 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder aan vergunninghouder een vergunning verleend voor het kappen van 154 bomen. Hierbij heeft verweerder aangegeven dat de vergunning wordt verleend, onder de voorwaarden dat uit aanvullend onderzoek zal moeten blijken of beschermde functies of dieren in het projectgebied voorkomen en of de werkzaamheden daar negatieve effecten op hebben. Vergunninghouder moet een ontheffing van de Wet natuurbescherming (Wnb) aanvragen als aanvullende inventarisaties aantonen dat in het projectgebied beschermde functies aanwezig zijn. Voorts mag niet worden gekapt of gesnoeid in het vogelbroedseizoen tussen 15 maart en 15 juli. Ten slotte heeft verweerder aangegeven dat aan de kapvergunning een herplantplicht wordt verbonden. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

2.4Op 10 augustus 2021 is een definitief natuurrapport opgesteld. Hieruit volgt kort samengevat dat geen negatieve effecten te verwachten zijn op Wnb soorten. Daarom is geen ontheffing in het kader van de Wnb vereist voor het uitvoeren van de werkzaamheden.

2.5Ten behoeve van de sanering van de grond is een saneringsplan ingediend. Hiertegen is beroep ingesteld en ook om een voorlopige voorziening verzocht bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). In de uitspraak van 11 november 2021 is het verzoek afgewezen. De voorzieningenrechter van de Afdeling heeft hierbij overwogen dat er geen aanleiding is gezien om op voorhand aan te nemen dat het saneringsplan niet voldoet aan de eisen die daaraan gesteld zijn in artikel 39 van de Wet bodembescherming.

2.6Op 8 november 2021 heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor 30 tijdelijke woningen met een instandhoudingstermijn van een jaar op het Blekersveld in Overveen.

Het bestreden besluit

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar tegen de vergunning van 20 juli 2021 ongegrond verklaard. Hiertoe heeft verweerder - onder verwijzing naar het advies van de adviescommissie - aangegeven dat de bomen geen waarden hebben in de zin van artikel 4:13, tweede lid, van de APV Bloemendaal 2021 (de APV). Verweerder verwijst daarbij naar de checklist beoordeling kapvergunning team groenvoorzieningen, het natuurrapport van 10 augustus 2021 en de Structuurvisie. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het belang van saneren van de grond zwaarder weegt dan de belangen die zijn gediend bij het behoud van de bomen.

Wettelijk kader

In artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder g, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is bepaald dat voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om een houtopstand te vellen of te doen vellen, een zodanige bepaling geldt als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat uit te voeren zonder omgevingsvergunning.

Op grond van artikel 2.18 van de Wabo kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2, de omgevingsvergunning slechts worden verleend of geweigerd op de gronden die zijn aangegeven in de betrokken verordening.

4.2In artikel 4.11 van de APV is bepaald dat het verboden is zonder vergunning van het bevoegd gezag een houtopstand te vellen of te doen vellen.

4.3In artikel 4:13, tweede lid, van de APV is bepaald dat het bevoegd gezag de vergunning kan weigeren indien het belang van verlening niet opweegt tegen één of meer van de volgende waarden van behoud van houtopstand:

a. natuur- en milieuwaarden;

b. landschappelijke waarden;

c. cultuurhistorische waarden;

d. waarden van stads- en dorpsschoon;

e. waarden voor recreatie en leefbaarheid;

f. beeldbepalende waarden;

g. waarde voor behoud van de overblijvende houtopstand

h. dendrologische waarden.

4.4In artikel 4:16 van de APV is bepaald dat tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden herplant.

Toetsingskader voorzieningenrechter

5. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling moet een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het kappen worden getoetst aan het beoordelingskader van de gemeentelijke verordening.n

Uitspraak van de Afdeling van 10 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR4883.

In dit geval is dat dus de APV. Dat beoordelingskader voor het kappen van bomen staat los van het beoordelingskader dat op grond van de Wabo geldt voor bijvoorbeeld bouwen. De beslissing om wel of niet een omgevingsvergunning voor het kappen te verlenen is een zogenoemde discretionaire bevoegdheid van verweerder. Dat betekent dat verweerder, als zich een van de in artikel 4:13, tweede lid, van de APV genoemde waarden voordoet, de vergunning kan weigeren, maar dat hij daartoe niet verplicht is. Verweerder zal daarbij een belangenafweging moeten maken. Voor de bestuursrechter geldt dat hij verweerders beslissing terughoudend moet toetsen. Deze toetsing is beperkt tot de vraag of verweerder bij afweging van belangen in redelijkheid de omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen.

Gronden die zien op woningbouw

6.1Verzoeker voert aan dat Blekersveld een speciale status heeft, omdat het is toebedeeld aan het gebied De Beek in het bestemmingsplan Overveen 2013. Voorts voert verzoeker aan dat verweerder onzorgvuldig is geweest in de besluitvorming en er geen inspraak mogelijk is geweest van de bewoners. Verder voert verzoeker aan dat verweerder de minister van Binnenlandse Zaken onjuist heeft geïnformeerd om op de projectenlijst van de Crisis- en Herstelwet te komen, door de suggestie te wekken dat een in de nabijheid gelegen oud politiebureau betrokken zou worden bij de totstandkoming van de woningbouwplannen.

6.2Ter zitting heeft verzoeker toegelicht dat deze gronden niet zien op het verlenen van de kapvergunning, maar op de omgevingsvergunning voor het bouwen van woningen. De voorzieningenrechter heeft begrip voor de wens van verzoeker om het groene karakter van de locatie te behouden, maar wijst erop dat de besluitvorming over de toekomstige bestemming van de locatie los staat van de boordeling van de rechtmatigheid van de voorliggende kapvergunning. De aangevoerde gronden die zien op woningbouw kunnen niet leiden tot weigering van de kapvergunning. De voorzieningenrechter zal deze gronden daarom niet inhoudelijk behandelen.

Gronden die zien op het kappen van de bomen

7.1Verzoeker voert aan dat nog niet mag worden gekapt zolang de omgevingsvergunning voor het bouwen van de woningen nog niet onherroepelijk is. Het kan nog jaren duren voordat de voor woningbouw noodzakelijke omgevingsvergunningen en de voor de permanente woningbouw noodzakelijke bestemmingsplanwijziging onaantastbaar zullen zijn. Verzoeker voert aan dat er geen zwaarwegende belangen zijn die de noodzaak van kaalslag van het Blekersveld rechtvaardigen en verwijst daarbij naar een uitspraak van de Afdeling van 17 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1291.

7.2Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder voldoende uiteengezet wat het belang is van het kappen van de bomen. Het kappen van de bomen is nodig om de bodem van het betrokken gebied te kunnen saneren en vervolgens daarop tijdelijke woningen te realiseren. Mocht de woningbouw onverhoopt niet doorgaan, dan is er ook een belang gelegen in het saneren van de bodem, omdat deze sterk vervuild is. Voorts wordt hierdoor onnodige vertraging voorkomen indien de woningen kunnen worden gerealiseerd.

7.3De voorzieningenrechter overweegt voorts dat de opsomming van de weigeringsgronden in artikel 4.13, tweede lid van de APV limitatief van aard is. Dit betekent dat een vergunning slechts kan worden geweigerd indien zich één of meer van de in dat artikel omschreven weigeringsgronden voordoet of voordoen. Tussen partijen is niet (meer) in geschil dat geen weigeringsgronden zoals genoemd in artikel 4:13, tweede lid, APV van toepassing zijn. Verweerder was daarom verplicht de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen. De omstandigheid dat verweerder, daargelaten of dat zo is, geen zwaarwegende belangen heeft bij het kappen van de bomen, maakt dat niet anders. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat de procedure over de verleende omgevingsvergunning voor de woningbouw nog loopt. Het ontbreken van een onherroepelijke omgevingsvergunning voor de woningbouw is geen weigeringsgrond in de APV. De beroepsgrond van verzoeker slaagt dus niet.

Vertrouwensbeginsel

8.1Verzoeker voert aan dat verweerder in de brief van 29 april 2020 heeft toegezegd geen tijdelijke huisvesting op het Blekersveld te zullen realiseren. Toch is besloten om een kapvergunning te verlenen.

8.2Verweerder stelt zich op het standpunt dat de informatie in de brief van 29 april 2020 inmiddels achterhaald is. In die brief werd uitdrukkelijk aangegeven dat de gemeenteraad voor een andere oplossing zou kunnen kiezen. Op 30 juni 2020 heeft de raad het college opgedragen om zo snel mogelijk tijdelijke huisvesting voor statushouders te realiseren en daarbij is het Blekersveld aangewezen als meest geschikte locatie.

8.3De voorzieningenrechter begrijpt dat verzoeker een beroep doet op het vertrouwensbeginsel. Volgens de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694, dient degene die zich beroept op het vertrouwensbeginsel aannemelijk te maken dat sprake is van uitlatingen en/of gedragingen van ambtenaren die bij de betrokkene redelijkerwijs de indruk wekken van een welbewuste standpuntbepaling van het bestuur over de manier waarop in zijn geval een bevoegdheid al dan niet zal worden uitgeoefend. In de brief van 29 april 2020 staat het volgende: ‘De locatie is ongeschikt bevonden voor tijdelijke huisvesting. Voordat er gebouwd kan worden, moet de grond namelijk gereinigd worden. Het college heeft ingestemd met een voorstel om de locatie Blekersveld niet langer beschikbaar te houden voor onderzoek voor tijdelijke huisvesting, maar te gaan onderzoeken voor definitieve woningbouw. Dit voorstel van het college van burgemeester en wethouders wordt 28 mei aanstaande behandeld in de gemeenteraad. Als de gemeenteraad dan voor een andere oplossing kiest waarbij het Blekersveld alsnog in beeld komt, laten wij u dat vanzelfsprekend weten’.

8.4De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker naar aanleiding van de brief van 29 april 2020 er niet op mocht vertrouwen dat geen kapvergunning zou worden verleend. Verweerder heeft de bevoegdheid om op een later moment een andere invulling aan de gronden te geven en heeft in dit geval van deze bevoegdheid gebruik gemaakt. Voorts staat in de brief dat de gemeenteraad voor een andere oplossing kon kiezen waarbij het Blekersveld alsnog kon worden aangewezen als locatie voor tijdelijke huisvesting. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dan ook geen sprake van een toezegging. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet.

Conclusie

9. Het beroep is ongegrond. Voor toewijzing van een voorlopige voorziening is bij deze uitkomst van het beroep geen plaats. Dat verzoek wordt daarom afgewezen.

10. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding. Dat geldt voor zowel het beroep als de voorlopige voorziening.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. Affourtit-Kramer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L. van Broekhoven, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2022.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Artikel delen