← Terug naar vorige pagina

ECLI:NL:RBGEL:2015:936

ECLI ECLI:NL:RBGEL:2015:936
Hoofdrubriek Welstand, Omgevingsvergunning, Wonen en zorg, Aanvraag, Activiteit, Advies, Belanghebbende, Binnenplanse afwijking, Bouwplan, Bouwwerk, Gemeentewet, Wonen en zorg, Exploitatieplan, Bevoegd gezag, Beheersverordening, BAG, Goede ruimtelijke ordening, Voorzienbaarheid, Abbb, Bouwbesluit, Slopen, Bezwaar en beroep, Grondexploitatie, Rechtsbescherming, Omgevingskwaliteit
Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 17-02-2015
Vindplaatsen Rechtspraak.nl, Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/6629
Inhoudsindicatie Omgevingsvergunning voor dakopbouw op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a en c en artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2o, van de Wabo, in samenhang met artikel 4, vierde lid, van bijlage II van het Bor . Geen rangorde tussen de binnenplanse afwijking en de “kruimelgevallenregeling”. Relativiteitsvereiste: brandveiligheidsvoorschriften uit het Bouwbesluit met betrekking tot de brandwerendheid strekken mede tot bescherming van de veiligheid van bewoners van belendende woning. Rechtbank voorziet zelf in de zaak en verbindt brandveiligheidsvoorschrift aan de omgevingsvergunning op grond van het Bouwbesluit 2012.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 14/6692

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eisers], te [woonplaats], eisers,

(gemachtigde: mr. M. Kuiper)

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nunspeet, verweerder,

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:[naam derde-partij], te [woonplaats], vergunninghouder.

Procesverloop

Bij besluit van 24 februari 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning krachtens artikel 2.1, eerste lid, onder a en c en artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2o, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), in samenhang met artikel 4, vierde lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) verleend voor de activiteiten bouwen en gebruiken in strijd met het bestemmingsplan, ten behoeve van het vergroten van een woning.

Bij besluit van 5 augustus 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd, onder aanvulling van de motivering van het besluit.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2014. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

B.C. Bertelink, werkzaam bij de gemeente. De derde-partij is verschenen.

Overwegingen

1. Eisers zijn eigenaar van het perceel [perceel 1]. De derde-partij is eigenaar van het buurperceel [perceel 2] (hierna: het perceel). De woningen van eisers en de derde-partij maken onderdeel uit van een rij aaneengebouwde woningen, waarbij de woning van de derde-partij de eindwoning in het blok vormt.

Het bouwplan van de derde-partij betreft de sloop van de vrijstaande garage en het in plaats daarvan realiseren van een aangebouwde berging. Daarnaast wordt op de begane grond van de woning de woonkamer verdiept en de bestaande bijkeuken gewijzigd, en worden op de eerste verdieping de twee slaapkamers aan de achterzijde van de woning verdiept in combinatie met het verlengen en ophogen van de kap en de plaatsing van een dakkapel op de tweede verdieping.

Door de ophoging van de kap wordt de bestaande bouwhoogte van de woning met circa 0,7 m verhoogd.

2. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en onder c, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk, (…)

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan (…).

Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning geweigerd indien de aanvraag en daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of artikel 120 van de Woningwet.

De hier bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Bouwbesluit 2012.

Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning geweigerd indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening.

Ingevolge artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo wordt, in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 van de Wabo niet mogelijk is.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef, sub a, onder 1, van de Wabo, kan, indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de omgevingsvergunning slechts worden verleend met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef, sub a, onder 2, van de Wabo, kan, indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de omgevingsvergunning slechts worden verleend in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.

Ingevolge artikel 4, vierde lid, van bijlage II bij het Bor, voor zover van belang, komen voor de verlening van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2o van de Wabo van het bestemmingsplan wordt afgeweken, in aanmerking:

4. een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw.

3. Ingevolge het bestemmingsplan “[… 1]” (hierna: het bestemmingsplan) is het perceel bestemd als “Wonen” met de aanduidingen “bouwvlak” en “aaneengebouwd”.

Ingevolge artikel 17.2.2. onder f mag ter plaatse van de aanduiding “aaneengebouwd” de goot- en bouwhoogte niet meer bedragen dan de bestaande situatie.

Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan.

4. Eisers betogen dat verweerder de juridische grondslag van het besluit had moeten wijzigen conform het advies van de commissie bezwaarschriften. Volgens eisers had verweerder gebruik moeten maken van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid van artikel 26, onder d, van het bestemmingsplan, in plaats van de afwijkingsmogelijkheid op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef, sub a, onder 2, van de Wabo en artikel 4, vierde lid van bijlage II bij het Bor (de “kruimelgevallenregeling”).

5. De rechtbank is hierover van oordeel dat uit de wet of de jurisprudentie niet volgt dat er sprake is van een in acht te nemen rangorde tussen de binnenplanse afwijking en de “kruimelgevallenregeling”. Hiertoe overweegt de rechtbank dat uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State van 22 augustus 2007 (ECLI:NL:RVS:2007:BB2160) volgt dat de systematiek van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) zich er niet tegen verzette dat vrijstelling met artikel 19 van de WRO werd verleend zonder dat gebruik werd gemaakt van de mogelijkheid om een vrijstelling te verlenen door middel van artikel 15 van de WRO.

Uit de parlementaire stukken van de op 1 juli 2008 in werking getreden Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de op 1 oktober 2010 in werking getreden Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) valt niet af te leiden dat de wetgever in deze wetten, in tegenstelling tot de Wet op de Ruimtelijke Ordening, wel een rangorde tussen de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1°, van de Wabo (voorheen artikel 15 WRO) en de afwijkingsbevoegdheid van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo (voorheen artikel 19 lid 3 WRO) heeft willen aanbrengen, zodat de hiervoor genoemde jurisprudentie van de Afdeling zijn werking behoudt.

De beroepsgrond faalt.

6. Volgens eisers voldoet de zijgevel niet aan het in de welstandnota voorgeschreven criterium met betrekking tot materiaalgebruik, omdat de gevel van de dakkapel voor 100 % is voorzien van cederhout. Uit de welstandnota volgt dat de gevel in hoofdzaak in baksteen uitgevoerd dient te worden. Ter onderbouwing hebben eisers een tegenadvies van “Welstand en Monumenten Midden-Nederland” overgelegd, waarin wordt geconcludeerd dat het bouwplan in strijd is met de redelijke eisen van welstand.

Verweerder stelt dat het criterium uit de welstandsnota enige beoordelingsruimte biedt en dat het niet is geformuleerd als een verplichting om alle gevels in baksteen uit te voeren. Volgens verweerder bedraagt de oppervlakte aan cederhout zeven vierkante meter, welke oppervlakte slechts zes procent uitmaakt van de gehele oppervlakte van de zijgevel. Nu de rest van de zijgevel in steen is uitgevoerd wordt volgens verweerder voldaan aan het criterium dat de gevel in hoofdzaak in baksteen wordt uitgevoerd.

7. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State (zie onder meer de uitspraak van 9 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW5254) volgt dat verweerder, hoewel hij niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis mag toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat verweerder dit niet – of niet zonder meer – aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. Ook laatstgenoemde omstandigheid kan aanleiding geven tot het oordeel dat het besluit van verweerder in strijd is met artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo of niet berust op een deugdelijke motivering. Dit neemt echter niet weg dat een welstandsnota criteria kan bevatten die zich naar hun aard beter lenen voor beoordeling door een deskundige dan voor beoordeling door een aanvrager of derde-belanghebbende.

8. Ingevolge de Welstandsnota Nunspeet ligt het perceel in het deelgebied “[… 2]” en valt het onder welstandsniveau 1 (zware toetsing). In hoofdstuk 4.2 van de welstandsnota zijn criteria opgenomen voor zowel de gevels als het materiaalgebruik.

Materiaalgebruik

- Bij verbouwing of renovatie het oorspronkelijke materiaal tot uitgangspunt nemen.

- In hoofdzaak bakstenen voor gevels en dakpannen op de daken toepassen.

(…)

9. De welstandscommissie “Het Gelders genootschap” heeft op 28 januari 2014 geoordeeld dat het bouwplan voldoet aan de redelijke eisen van welstand, waarbij alleen voor de witte kleur van de trespa bekleding werd aangeraden deze in een meer terughoudende kleur uit te voeren. Op 6 mei 2014 heeft de welstandscommissie naar aanleiding van het aangepaste bouwplan geoordeeld dat de aanvraag in een natuurlijke materiaaluitvoering in metselwerk en hout voor de rechterzijgevel aansluit op de bestaande bebouwing en daarmee voldoet aan de redelijke eisen van welstand.

Op 13 juni 2014 hebben eisers een tegenadvies van “Welstand en Monumenten Midden-Nederland” overgelegd, waarin wordt geconcludeerd dat het bouwplan in strijd is met de redelijke eisen van welstand. In dit tegenadvies wordt aangevoerd dat de naar eisers gerichte zijgevel van de dakkapel dusdanig afwijkt van de voorgestelde gevelbekleding (in eerste instantie trespa, naderhand cederhout) van de overige gemetselde gevels van deze verbouwing dat er qua materiaalgebruik sprake is van een niet bij elkaar passend en storend totaalbeeld, zeker ook overhoeks bezien. Het relatief grote oppervlak van deze nieuwe gevel versterkt het negatieve effect.

Het tegenadvies van eisers is besproken met de welstandsadviseur van het Gelders Genootschap, en aan de hand daarvan is op 7 juli 2014 een reactie opgesteld. Hierin is aangegeven dat door de geringe zichtbaarheid van de zijgevel de welstandscommissie zich niet kan vinden in de stelling dat er overhoeks qua materiaalgebruik (ofwel toepassing van hout) sprake is van een storend totaalbeeld voor de omgeving. Het tegenadvies geeft geen aanleiding om het eerdere standpunt, dat het bouwwerk voldoet aan de redelijke eisen van welstand, te herzien.

10. De rechtbank volgt eisers niet in hun standpunt dat verweerder een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het criterium uit de welstandsnota. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de voorwaarde dat de gevel in hoofdzaak in baksteen moet worden uitgevoerd, dat voor wat betreft het materiaalgebruik het bouwplan in zijn geheel dient te worden bezien, en niet uitsluitend één gevel. Door verweerder is aangegeven dat de zijgevel van de dakkapel in cederhout slechts een klein onderdeel uitmaakt van de gehele zijgevel, en dat de rest van deze gevel alsmede de overige gevels wel in baksteen worden uitgevoerd, zodat verweerder in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat voldaan wordt aan het criterium dat de gevel in hoofdzaak in baksteen wordt uitgevoerd.

Verweerder heeft daarnaast in de reactie op het tegenadvies aangegeven dat op verschillende locaties binnen hetzelfde welstandsregime voor de realisatie van een dakkapel, dakopbouw, uitbouw of gevel voor de zijgevel gebruik wordt gemaakt van hout, en dat de zijgevel slechts in geringe mate zichtbaar is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het welstandsadvies dan ook in redelijkheid aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag kunnen leggen.

De beroepsgrond faalt.

11. Eisers voeren verder aan dat de gevel direct aansluitend aan hun woning niet voldoet aan de brandveiligheidseisen uit het Bouwbesluit 2012, zo voldoet de gevelbekleding met Red ceder rabat niet aan brandklasse D.

12. Ingevolge artikel 2.82, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 ligt een woning in een brandcompartiment.

Ingevolge artikel 2.84, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 bedraagt de volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag minimaal 60 minuten.

Ingevolge artikel 2.85 van het Bouwbesluit 2012 zijn bij de verbouw van bestaande gebouwen artikelen 2.82 – 2.84 van het Bouwbesluit 2012 van overeenkomstige toepassing, waarbij in plaats van het in die artikelen aangegeven niveau van eisen wordt uitgegaan van het rechtens verkregen niveau en een weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van ten minste 30 minuten.

13. Op 3 december 2014 heeft de Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland, cluster Veluwe West, geadviseerd over het bouwplan en geoordeeld dat de wand een brandwerendheid bezit van 30 minuten en mogelijk zelfs van 60 minuten.

Gelet op dit advies heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat het bouwplan voldoet aan het bepaalde in artikel 2.82 e.v. van het Bouwbesluit 2012.

Het betoog faalt.

14. Ingevolge artikel 2.68, eerste lid van het Bouwbesluit 2012 dient een zijde van een constructieonderdeel die grenst aan de buitenlucht te voldoen aan de in tabel 2.66 aangegeven brandklasse, bepaald volgens NEN-EN 13501-1.

Ingevolge artikel 2.66 van het Bouwbesluit 2012 geldt voor de zijde grenzend aan de buitenlucht brandklasse D.

15. Verweerder heeft aangegeven dat de het op de gevel toe te passen materiaal niet voldoet aan deze brandbaarheidseis, zodat het betoog van eiser op dit punt slaagt. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit kan voor wat betreft het materiaalgebruik op de zijgevel geen stand houden.

16. Verweerder betoogt dat de brandveiligheidseisen niet strekken ter bescherming van de belangen van eisers omdat deze enkel in het belang zijn van de verbouwende partij.

16.1Ingevolge artikel 8:69a van de Awb, vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of een ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 12 oktober 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BT7368) strekken brandveiligheidsvoorschriften uit het Bouwbesluit met betrekking tot de brandwerendheid mede tot bescherming van de veiligheid van bewoners van belendende woningen.

Artikel 8:69a van de Awb staat daarom niet in de weg aan vernietiging van het bestreden besluit vanwege strijd met deze bepalingen.

17. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien op grond van artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Awb.

De derde-partij heeft voorgesteld de gevelbekleding aan te passen. Conform het advies van de Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland, cluster Veluwe West, van 3 december 2014 heeft de derde-partij twee oplossingen voorgesteld. De derde-partij kan de gevelbekleding uitvoeren in “THPL: Western red cedar” welke gevelbekleding voldoet aan brandklasse D, hetgeen blijkt uit een prestatieverklaring die is afgegeven door Pont Meyer op 11 juni 2013. De derde-partij kan voorts de bestaande gevelpanelen impregneren met het materiaal “Alfastop”, waarna het materiaal voldoet aan brandklasse D. Verweerder heeft bij brief van 3 december 2014 meegedeeld dat beide oplossingen akkoord zijn. Indien de derde-partij besluit om de gevel te laten impregneren dient de derde-partij na de uitvoering van het werk een certificaat te overleggen waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de brandbaarheidseisen uit het Bouwbesluit 2012. Desgevraagd heeft de gemachtigde van eisers tijdens de zitting niet betwist dat met de voorgestelde oplossingen wordt voldaan aan het Bouwbesluit 2012.

De rechtbank bepaalt dat het volgende voorschrift wordt toegevoegd aan de omgevingsvergunning:

De naar [perceel 1] 53 gekeerde zijgevel van de dakopbouw dient te voldoen aan het bepaalde in artikel 2.66 en 2.68 van het Bouwbesluit 2012 door hetzij de bestaande gevelbekleding te impregneren zodat minimaal voldaan wordt aan Brandklasse D, hetzij de gevelbekleding te vervangen door “THPL: Western red cedar” welke minimaal voldoet aan Brandklasse D.

Indien gekozen wordt voor het impregneren van de bestaande gevel dient na uitvoering van het bouwplan een certificaat te worden overhandigd aan het bevoegd gezag waaruit blijkt het materiaal van de zijgevel voldoet aan brandklasse D.

18. Nu het beroep gegrond is veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten en reiskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.041,20 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1, en € 67,20 voor de reiskosten voor het bijwonen van de zitting).

19. Voorts bepaalt de rechtbank dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 165 vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond.

- vernietigt het bestreden besluit voor wat betreft het materiaalgebruik op de zijgevel;

- bepaalt dat het volgende voorschrift aan het bestreden besluit wordt verbonden:

“De naar[perceel 1] gekeerde zijgevel van de dakopbouw dient te voldoen aan het bepaalde in artikel 2.66 en 2.68 van het Bouwbesluit 2012 door hetzij de bestaande gevelbekleding te impregneren zodat minimaal voldaan wordt aan Brandklasse D, hetzij de gevelbekleding te vervangen door het materiaal “THPL: Western red cedar” welke minimaal voldoet aan Brandklasse D.

Indien gekozen wordt voor het impregneren van de bestaande gevel dient na uitvoering van het bouwplan een certificaat te worden overhandigd aan het bevoegd gezag waaruit blijkt het materiaal van de zijgevel voldoet aan brandklasse D.”

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dat is vernietigd;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van in totaal

€ 1.041,20;

- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 165 aan eisers vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. Zippelius, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. E. Mengerink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Geen regelgeving beschikbaar.

Geen naslag beschikbaar.

ECLIECLI:NL:RBGEL:2015:936
InstantieRechtbank Gelderland
Datum uitspraak17 February 2015
Datum publicatie12 February 2015
ZaaknummerAWB - 14 _ 6692
Rechtsgebied(en)Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Soort procedureBodemzaak, Eerste aanleg - enkelvoudig
VindplaatsenRechtspraak.nl, Omgevingsvergunning in de praktijk 2015/6629