Menu

Zoek op
rubriek
Omgevingsweb

Beantwoording Kamervragen over bijdrage zware industrie aan klimaatbeleid

Minister Wiebes beantwoordt vragen over het bericht dat de grootste vervuilers amper betalen aan klimaatbeleid.

Wiebes, Eric
9 september 2020

Kamerstuk: kamervraag

Kamerstuk: kamervraag

Op 21 augustus jl. werden vragen gesteld door het lid Beckerman van de fractie SP, kenmerk 2020Z14730, over de bijdrage van de zware industrie aan het klimaatbeleid naar aanleiding van het Wob-verzoek en het daarop gebaseerde onderzoek van Milieudefensie.

Hierbij stuur ik u de beantwoording van deze vragen.

Eric Wiebes

Minister van Economische Zaken en Klimaat

1

Heeft u kennisgenomen van het bericht dat het vooral het midden- en kleinbedrijf (mkb) is dat betaalt voor klimaatbeleid en niet de zware industrie, zodat het in de praktijk kleine bedrijven zoals fietsen- en koekjesfabrikanten zijn die 80 % van de subsidiepot voor industriële vergroening opbrengen?

Antwoord

Ja.

2

Hoe oordeelt u over het feit dat juist de zware industrie, zoals de olieraffinaderij van Shell en Tata Steel, niet of nauwelijks meebetaalt aan klimaatbeleid terwijl zij wel verantwoordelijk is voor zoveel CO2-uitstoot? Deelt u de mening dat het zeer onrechtvaardig is en steun voor klimaatbeleid ondermijnt, dat juist de grootste veroorzakers van de klimaatcrisis weer de dans ontspringen? Kunt u uw antwoord toelichten?

5

Gaat u een einde maken aan de vele vrijstellingen van milieuheffingen en energiebelastingen die de zware industrie geniet? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?

Antwoord vraag 2 en vraag 5

Nee, ik deel deze mening niet. De zware industrie betaalt op verschillende manieren mee aan het klimaatbeleid. Het kabinet zet erop in om de fiscale prikkels op die manier in te richten dat zij de energie- en klimaattransitie ondersteunen, met behoud van de internationale concurrentiepositie.

In 2020 is de lastenverdeling van de Opslag Duurzame Energie- en Klimaattransitie (ODE) tussen huishoudens en bedrijven aangepast om deze evenwichtiger te maken, ten gunste van huishoudens. Huishoudens dragen nu nog circa 1/3 bij aan de ODE-opbrengst in plaats van 50% terwijl bedrijven nu 2/3 van de ODE-opbrengst betalen. De ODE wordt opgebracht om de subsidies voor verduurzaming, de SDE++, te betalen. Om het kleine mkb hierin zoveel mogelijk te ontzien en de nadruk te leggen op grootverbruikers is afgesproken om alleen de tarieven in de twee hoogste schijven, de 3e en 4e schijf voor aardgas en elektriciteit fors te verhogen. Daardoor zijn de lasten voor de zware industrie, waaronder de bedrijven in de basischemie en de aardolie-industrie, fors verhoogd in 2020 t.o.v. 2019.

Voor een beperkt aantal industriële processen geldt een vrijstelling van de ODE- heffing. Deze vrijstelling hangt samen met de Europese Richtlijn Energiebelastingen en heeft betrekking op sectoren die gevoelig zijn voor internationale concurrentie. Bij het afschaffen of inperken van de vrijstellingen bestaat het risico op weglek van CO2-uitstoot en werkgelegenheid over de grens. Vrijwel alle EU-landen gebruiken dan ook de ruimte die de Europese Richtlijn Energiebelastingen biedt om vrijstellingen te verlenen om weglek te voorkomen. Het afschaffen of inperken van deze vrijstellingen heeft dus vooral zin als dit door alle EU-lidstaten wordt toegepast.

De Europese Commissie zal in het kader van de Europese Green Deal naar verwachting in de eerste helft van 2021 met concrete voorstellen komen om de Richtlijn Energiebelastingen te hervormen. Het kabinet verwelkomt deze hervorming, omdat die ruimte kan bieden om specifieke uitzonderingen voor bedrijven of sectoren te beperken, met behoud van het gelijke speelveld.

Overigens geldt dat het internationale bedrijfsleven veelal op mondiale markten opereert, waardoor aandacht voor de internationale concurrentiepositie op die markten bij de herziening van de Richtlijn Energiebelastingen nodig blijft.

Naast de aangekondigde herziening van de Europese Richtlijn Energiebelastingen vindt in Nederland een evaluatie van de nationale energiebelasting plaats. Bij deze evaluatie zal onder meer aandacht worden geschonken aan de vrijstellingen in de energiebelasting en de mogelijkheden om daar veranderingen in aan te brengen, teneinde het gebruik van fossiele brandstof te ontmoedigen. Voor meer details hierover verwijs ik graag naar een Kamerbrief over de financiële prikkels voor fossiele brandstoffen in Nederland die ik binnenkort aan uw Kamer zend.

Daarnaast treedt naar verwachting op 1 januari 2021 de Wet CO2-heffing industrie in werking, waardoor bedrijven geprikkeld worden om in CO2-reductiemaatregelen te investeren. De CO2-heffing draagt zodoende bij aan het waarborgen van de substantiële bijdrage van de industrie aan de klimaatdoelen.

Op basis van bovenstaande oordeel ik dat de zware industrie wel degelijk meebetaalt aan het klimaatbeleid.

3

Hoe oordeelt u over het feit dat van deze opbrengsten door het mkb, onderwijsinstellingen en zelfs ziekenhuizen, de duurzaamheidssubsidies worden betaald die rechtstreeks ten goede komen aan die grootste uitstoters die hiermee hun CO2 onder de grond kunnen stoppen?

Antwoord

Conform de afspraken in het Klimaatakkoord zal de sector industrie in zijn geheel in 2030 een bijdrage aan de ODE betalen van circa 550 miljoen euro. De sector in zijn geheel – waaronder ook de chemie en de raffinaderijen – kan in 2030 een beroep doen op de SDE++ voor CO2-reducerende technieken voor ongeveer hetzelfde budget. In die zin betaalt de sector industrie voor het beslag dat zij voor CO2-reducerende technieken naar verwachting in 2030 kan leggen op de totale SDE++-middelen. Het beslag dat de industrie kan leggen op de SDE++ is niet exclusief voorbehouden aan de zogenoemde zware industrie, noch zijn de in de vraag genoemde bedrijven en instellingen uitgesloten om een beroep te doen op de SDE++. De regeling staat open voor bedrijven en instellingen. Daarnaast is er een plafond ingesteld voor de subsidiëring van de afvang en opslag van CO2- uitstoot (CCS) om te voorkomen dat er daardoor te weinig ruimte overblijft voor andere technieken om voor SDE++-subsidie in aanmerking te komen. Mede hierdoor zijn er ook voor het mkb, onderwijsinstellingen en ziekenhuizen volop middelen beschikbaar om met behulp van de SDE++ te verduurzamen.

4

Op welke wijze geeft deze praktijk volgens u uitvoering aan de aangenomen motie-Beckerman c.s. (Kamerstuk 32 813, nr. 351), die oproept huishoudens en mkb niet op te laten draaien voor klimaatbeleid van de industrie? Op welke wijze gaat u wél uitvoering geven aan deze door de Kamer breed gedeelde wens om de lasten evenredig bij de zware uitstoters neer te leggen en niet voor rekening te laten komen van het mkb en huishoudens?

Antwoord

Het kabinet heeft in het kader van het Klimaatakkoord besloten om vanaf 2020 de ODE-bijdrage van huishoudens en bedrijven te verschuiven, ten gunste van huishoudens. Huishoudens dragen nu nog circa 1/3 bij aan de ODE-opbrengst in plaats van 50% terwijl bedrijven nu 2/3 van de ODE-opbrengst betalen. Om het mkb hierin zoveel mogelijk te ontzien en de nadruk te leggen op grootverbruikers is afgesproken om hiervoor de tarieven in de 3e en 4e schijf aardgas en elektriciteit fors te verhogen.

Ook is afgesproken om de ODE bijdrage van de industrie sector op te laten lopen naar 550 miljoen euro in 2030, wat ongeveer gelijk is aan het SDE++ budget waar de sector in 2030 een beroep op kan doen ter subsidiëring van CO2- reducerende technieken. Dit betekent dat huishoudens en het mkb niet betalen voor het klimaatbeleid van de industrie via een hogere ODE-bijdrage, maar dat de sector dit zelf financiert. Daarnaast resulteert de aangekondigde CO2-heffing in een verdere waarborg van de bijdrage van de industrie aan de klimaatdoelen.

Artikel delen

Reacties

Geef een reactie